woensdag 27 augustus 2014

DE EENZIJDIGHEID VAN HET LEVEN




Sam vertelde me over een vrouw die hij onlangs had leren kennen. We zaten in de Rib a way, een eethuis aan het Zuid dat ook 's avonds laat en 's nachts ribbetjes à volonté op het menue heeft en waar ik soms kom als ik niet voor mezelf kan koken.
 'Het gekke is,' zei Sam, 'ze was niet dik.'
   Sam is een beetje een platte jongen. Hij is een prima collega, maar verfijnd is hij allerminst.
 'Ze was niet dik?' zei ik.
 'Nou ja,' zei hij, 'ze was ook niet slank en ze was dat waarschijnlijk nooit geweest. Ook niet als kind. Een kloek meisje met stevige kuiten, weet je wel. Een meid die in haar jeugd aan roeien doet of aan judo. Maar dik, nee dik was ze niet.'
   Ik greep naar een servet en veegde mijn mond en mijn vingers af. 
 'Had ze dan dik moeten zijn, Sam?'
 'Ze at als een paard,' zei hij.
 'O ja?' 
   Hij keek me grijnzend aan. Ik bracht een stuk varkensrib naar mijn mond en begon er aan te peuzelen. De Rib a way is een eethuis waar er 's avonds laat ook mag worden gerookt. Als de kans op controle van een overijverig overheidsambtenaartje verwaarloosbaar is. Maar je krijgt pas een asbak als je een euro in een plastic spaarvarken stopt. Is er onverhoopt toch controle, dan wordt de boete betaald met wat er in dat spaarvarken steekt. Er wordt gefluisterd dat de plaatselijke maffia de tent runt en dat niet zozeer spareribs maar drugs de core business vormen, maar ondanks het feit dat ik er geregeld kom, heb ik nog nooit iets van die aard gezien. 
   Met Sam over vrouwen praten —en hij praatte alleen maar over vrouwen— was altijd een beproeving. Niet omdat ik erg verfijnd ben, verre van, maar in vergelijking met Sam... Nou ja, in vergelijking met Sam ben ik dat wel en het leek er hem altijd om te doen mij zoveel mogelijk te schofferen.
 'Wist je dat paarden niet kunnen braken?' vroeg Sam.
 'Christus man, ik ben aan het eten. Kunnen we even?'
   Sam tuitte zijn onderlip en blies de rook naar de luchter boven ons tafeltje waaruit gedempt licht viel.
 'Nou, volgens mij kon dat mens ook niet braken.'
 'Oké Sam,' zei ik. 'Geweldigk interessant.'
 'Als ik had gegeten wat dat mens allemaal in d'r mond stak, nou dan was ik nu nóg  aan het braken.'
   Ik gooide mijn servet in mijn bord.
 'Klaar,' zei ik. 'Heel erg bedankt, Sam.'
 'Nadine,' zei Sam. 'Zo heette ze.'
   Ik had best nog zo'n portie gegrilde varkensribbetjes kunnen hebben. Ze maakten ze in de Rib a way klaar met honing. Lekker crispy. Maar als er iemand aan dezelfde met wit linnen bedekte tafel het woord braken tot drie keer toe in de mond neemt, dan is het ook voor mij over.
 'Vind je dat die naam past?' vroeg Sam.
 'Past waarbij?'
 'Bij iemand die walgelijk veel eet?'
 'Weet ik veel,' zei ik. 
   Met het puntje van mijn tong probeerde ik een reepje varkensvlees van tussen twee kiezen te peuteren. Ik wou de kelner roepen, maar toen bemerkte ik naast het peper- en zoutvat ook een stenen potje met tandenstokers. Het kon me niet schelen of mijn collega dat nou vies vond of niet, maar ik prikte het stukje vlees van tussen mijn tanden en vooraleer het weg te slikken, bestudeerde ik het een hele tijd.
 'Nou, ook al was die Nadine zelf niet wat je noemt moddervet, verre van zelfs, toch is voor mij iedere Nadine een dikke vrouw sindsdien. Kun je dat geloven?'
   Ik zei niks. Ik dacht: het smeuïgste moet vast nog komen, Sam kennende. Maar er kwam niks.
 'Kun je dat geloven?' zei hij nog een keer.
   Mijn gebit was weer helemaal schoon, maar ik bleef met die tandenstoker op zoek naar etensresten. Heel even keek ik hem aan met zo'n afwezige blik dat hij nogmaals had kunnen vragen of ik dat kon geloven zonder antwoord op zijn vraag te krijgen. Hij grijnsde nog altijd.
 'En behalve walgelijk veel voedsel tot zich nemen,' zei ik, 'wat deed die Nadine nog meer?' 
 'Geen idee,' zei Sam.
 'Hoezo, geen idee?'
 'Ik was niet echt benieuwd naar wat ze nog meer deed,' zei Sam. 'In de bioscoop diepte ze een halve kilo gehakt uit haar handtas op en de hele film lang lag dat pak rauw vlees tussen ons in. Ze zei: "Neem gerust, als je zin hebt, ik heb nog meer." Af en toe graaide ze met haar blote vingers in dat pak en vooraleer ze een homp gehakt in haar mond stak, rolde ze het tot een balletje, als bij de soep. Hou je dat voor mogelijk? Wie weet had ze in d'r handtas ook nog een stuk rund of zo? Na de film gingen we koffie drinken. Ze nam er een dubbele portie taart bij. Warme appeltaart met slagroom en ijs. Het liep tegen elf uur in de avond. Welk normaal mens neemt dan nog taart? Weet jij het? En ze praatte ook de hele tijd over vreten. Ze had het over ingemaakte groenten, over vette vis die ze in de vismijn te Oostende kocht, over ossenvet —reuzel— waarin ze frieten bakte, over éclairs, verloren brood, verschillende soorten pasta's, vol au vent, kippenworsten, ontbijtgranen, eendenlever, pizza's. Noem wat en ze had het erover. Ze woont boven een patisserie, moet je rekenen. Nee, ik was niet benieuwd naar wat ze nog allemaal meer deed. Je met rauw gehakt in de bioscoop volproppen, volstaat voor mij. Dan heb ik het plaatje helemaal gezien.'
   Ik geloofde niet alles wat Sam me probeerde wijs te maken. Ik bedoel dat in het algemeen. Niet alleen wat hij over die Nadine en haar vreetlust vertelde nam ik met een korrel zout, ook wat hij op de weg meemaakte was meestal zodanig van de pot gerukt dat je het eigenlijk nooit helemaal ernstig kon nemen. Hij kreeg altijd de gekste klanten. Je kon qua taxiverhalen nooit tegen hem op. Hij had het allemaal bruiner meegemaakt. Misschien was die Nadine —als ze al zo heette?— een diabetespatiënte en moest ze wel geregeld voedsel tot zich nemen en had Sam het allemaal wat opgeschroefd? Maar vreemd genoeg kocht ik wekenlang geen gehakt meer in de supermarkt. Als ik er nog maar aan dacht, zag ik op de armleuning van een bioscoopzetel een homp rauw vlees liggen en nu eens kleurde dat vlees in mijn gedachten rood, dan weer blauw, of zelfs groen, al naar gelang het licht op het scherm. Af en toe vroeg ik hem of hij haar nog had teruggezien, zijn gehaktvrouw. Al na een paar keer antwoordde hij niet meer op mijn vraag en beschouwde hij het als gejen onder collega's, iets waarvan hij evenmin vies was. 
   Hoe ze er nou had uitgezien, Nadine, behalve dat ze noch dik was noch slank, kwam ik van Sam niet te weten. 
   Tot op een avond. 
   Het liep al tegen het einde van de zomer en die avond deden ze me met een busje rijden en ik had geen zin om te discussiëren. Ik nam de sleutel van de Vito en liep foeterend de hangar in. Het laatste licht van de dag viel door de plastic golfplaten waaronder een koppel duiven koerden. Stomme beesten die uitgerekend daar hun nest hadden gemaakt. 
   Het was zondag en de Gantoise speelde zijn eerste thuiswedstrijd van het seizoen. Busjes zijn bedoeld voor groepen. Ik heb het niet zo op groepen begrepen. En al helemaal niet op voetbalsupporters. Een tafelgesprek lukt niet als je met meer dan zes bent. Dat is bewezen. Psychologisch en zo. Dan valt het gesprek uiteen in afzonderlijke gesprekjes. Het ene gesprek stoort het andere. Nou, dan kun je net zo goed apart gaan zitten, aan afzonderlijke tafels. Dan is een grote ronde tafel een maat voor niks. De gezelligheid is weg en iedereen vraagt zich af of ook de andere gesprekken stomvervelend zijn. Met meer dan zes aan een tafel is geen goed idee. Net zo in een taxi. Normaliter lieten ze me nooit met een busje rijden, maar die avond dus wel.
   Mijn eerste klant die avond was een bejaarde man die ik wel vaker naar een zorgcentrum buiten de stad bracht, maar nooit eerder met een busje. Op eigen kracht raakte de oude man niet in de taxi, dus moest ik hem bij het instappen een beetje optillen en hem dan met mijn heup een zetje geven. Hoe oud hij precies was, wist ik niet, maar hij was vast in de tachtig. In ieder geval was hij broos. Broos als een koekje. Ik wist ook dat hij zo goed als doof was, dus toen ik hem vroeg waar hij heen wilde, zette ik een luide bek op. De man greep met zijn linkerhand naar mijn knie en met zijn rechterhand probeerde hij zijn oorschelp te bedekken waarin, niet eerder dan enkele dagen, een hoorapparaat stak.
 'Oeps,' zei ik.
   Ook zijn stem was door ouderdom fragiel geworden, maar thans, zo zei hij, kon hij dankzij dat hoorapparaat opnieuw zichzelf horen praten en had hij het gevoel dat hij, zoals ik daarnet, steevast veel te luid praatte, waardoor hij van de weeromstuit te zacht praatte en de mensen hém niet konden horen in plaats van andersom. 
 'Valt wel mee hoor,' zei ik. 'Ik hoor je prima.'
   Om de een of andere reden kreeg je in de taxi van oude mensen altijd een medische update. Gratis en voor niks. Alsof op het voorhoofd van een taxichauffeur in grote letters geschreven staat: zaag maar tegen mij, ik krijg ervoor betaald.
   Ook uitstappen kon niet op eigen kracht en toen ik hem met zijn beide voeten op de grond had, was het uitgesloten dat ik dit grootvadertje aan zijn lot zou overlaten, dus stapte ik met hem mee naar de ingang van het zorgcentrum. Hij leunde danig op mijn arm en we kwamen maar moeizaam vooruit. Misschien vocht deze oude man een halve eeuw geleden in de jungle van Korea, of in Congo? Misschien had hij vroeger een bloeiende zaak gehad? En moest je hem nu zien! Een verpleegster met een rolstoel nam het van mij over. Meneer Kamiel was weer in zijn laatste thuis. 
   Toen ik opnieuw achter het stuur zat, merkte ik dat de meter nog liep. Er was wat tijd overheen gegaan en de rekening klopte niet, ik kwam twee euro en veertig cent tekort. Nou, die moest ik dus uit eigen zak betalen. Zie je wel, dacht ik. Niks dan ellende heb je met zo'n busje. Met een gewone taxi zou me dat nooit overkomen zijn.
   Ook het rijden door nauwe, middeleeuwse steegjes viel niet mee. Je moest verdomd goed uit je doppen kijken, je reed er zo een spiegel af. 
   Ik reed de nachtshift. Van halfacht 's avonds tot halfzes 's morgens. Tien uur waarvan we er naar de letter van de wet twee voor onszelf hadden. Ook Sam reed de nachtshift. Geen enkele taxichauffeur nam twee uur pauze. Het was weliswaar je recht om niet meer dan acht uur achter het stuur te zitten, maar het werd niet op prijs gesteld als je dat recht ook opeiste. En normaliter had je aan een uurtje pauze genoeg. Je at een sandwich, je dronk een koffie en je ging weer de baan op. Maar omdat ze me die avond met een busje hadden doen rijden en omdat ik daar vreselijk de pest in heb, nam ik me voor in de Rib a way uitgebreid lunch te nemen.
   Ik was aan mijn tweede portie varkensribbetjes toe toen er aan het belendende tafeltje een vrouw van een jaar of veertig kwam zitten. Een vrouw in haar eentje, niet dik, niet slank, niet lelijk, maar ook geen uitgesproken schoonheid. Een vrouw waarvan een provinciestad als Gent er aan iedere vinger tien heeft, bij wijze van spreken. Het enige wat aan haar opviel, was de gelukzaligheid waarmee ze op haar schotel zat te wachten. Ze schikte en herschikte het bestek. Ze nipte ongedurig van haar drankje. Ik knikte vriendelijk gedag toen onze blikken elkaar toevallig ontmoetten en mijn intuïtie zei me: dit is Nadine. 
   Ik heb er geen ander dan een goedkoop woord voor, maar ze keek me verlekkerd aan, op het gulzige af. Ik bedoel: het was alsof ze alvast mijn portie varkensribbetjes wou, in afwachting. En toen ze haar schotel kreeg, tastte ze met zoveel apetijt toe dat ik het wel zeker wist. Nadine. Dit moest Nadine zijn. Nooit eerder een vrouw met zoveel smaak, met zoveel overgave zien eten. Ze vroeg drie, vier keer om extra brood en haar glas moest voortdurend worden bijgevuld. Zoals ik al zei: in de Rib a way kom ik wel vaker. Door de ramen van het etablissement zie je de neonverlichting van de rosse buurt. Het is er bepaald troosteloos, maar dat,maakt er het eten net lekkerder op.
   Mijn lunchpauze liep zo zoetjesaan teneinde. Twee uur lang had ik varkensribbetjes gehad, met naast me een vrouw wier opdracht het leek zich in de vernieling te vreten. Ik zat helemaal vol. Nadine was aan haar vierde portie toe. Eén portie is al een hele berg vlees moet je weten.
   Vanaf mijn dertigste ben ik beginnen aankomen. Niet dat ik dik ben, maar ik zie er niet uit alsof ik veel aan sport doe. Ook yoga zou niet meer lukken. Ik zie er uit als een man van vijftig die zich nooit veel om zijn uiterlijk heeft bekommerd. En daar zat ik dus, in een ordinaire eettent aan het Zuid, taxichauffeur van beroep. 
   Het koekje bij de koffie liet ik onaangeroerd. Ik kon niet meer. Nadine —of wie ze ook mocht wezen— leek met eten verre van klaar. Ze smikkelde lustig verder en depte af en toe met een servet haar mondhoeken.
 'Mag ik je iets vragen?' zei ze.
 'Ja, tuurlijk,' zei ik.
   Ze wees naar het logo van het taxibedrijf op de boord van mijn hemd.
 'City-tax?' vroeg ze.
 'Ja, inderdaad,' zei ik. 
 'Goh,' deed ze. Het was alsof dat antwoord haar zielsgelukkig maakte. Ze keek me stralend aan en ik veronderstelde dat ik met mijn antwoord Sam heel even dichterbij had gebracht. Ze vroeg of ik haar naar huis kon brengen, straks, als ze klaar was met eten. 
 'Graag,' zei ik. 'Geen enkel probleem.'
   Mijn pauze zat er op, maar als ik meteen een klant had, kon ik nog wel een kwartiertje.
   Ik bracht haar een half uur later naar huis, niet nadat ik haar voorzichtig had aangemaand wat haast te maken. Ze woonde in Mariakerke, in de Hippoliet Penemanslaan. Onder het rijden had ze het over haar buren die onlangs een barbecue hadden georganiseerd waarop ze uitgenodigd was geweest. Ze had kreeft gehad, lamsvlees, worsten, quish, allerlei salades. Rode en witte wijn en daarna mojito's, wel een stuk of zes. 
   Ik knikte. Het was zondag. Het regende. 
   
    
  
 





NIEUWE GORDIJNEN




Dominique wou nieuwe gordijnen. We waren nog maar net gaan samenwonen. Ik was bij haar ingetrokken. Ze woonde in Nieuw Park, een nogal troosteloze buurt een heel eind van het historisch centrum waar ik eertijds woonde. In een flat, zeventien hoog. Ik had gezworen nooit nog samen met een vrouw een flat te delen, om redenen die geen uitleg behoeven, maar toen de eigenaar van mijn huurflat het pand zou verkopen en ik naar een nieuw onderkomen moest uitkijken, leek het het makkelijkst om bij haar in te trekken, al was het maar tijdelijk. 
 'Wat is er mis met deze gordijnen?' vroeg ik.
   Iedere avond, als het televisiejournaal begon, sloot ze de gordijnen, ook als er nog licht was, zoals die dag. Lichtbruin, met silhouetten van dansende figuren uit fijnmazeriger stof waardoorheen het zonlicht viel als de zon scheen. Ik zat met een biertje en de krant in de lange sofa. God, wat hield ik er van me op die sofa tijdens de middag uit te strekken en een dutje te doen. Waar ik vroeger woonde, had ik alleen een eenmanszetel. Als ik in slaap viel in die eenmanszetel, dan werd ik geradbraakt wakker, alsof ik tien uur achter het stuur had gezeten.
   Dominique kwam naast me zitten, pakte het halfvolle blikje uit mijn hand en nam een slok. Daarna tastte ze naar het pakje sigaretten op de salontafel en stak er twee op. Terwijl ze mij een sigaret gaf, schoof ze haar benen onder haar zitvlak en kwam tegen me aanleunen.
 'Weet niet,' zei ze.
   We waren allebei jonge vijftigers en we kenden elkaar pas een half jaar, maar we hadden al ons eigen, particuliere taaltje. Als er iets scheelde dan sloeg Dominique een kinderlijk toontje aan. 
 'Mijn meisje weet 't niet,' zei ik, 'maar wil toch andere gordijnen?'
   Ik had het misschien net iets te spottend gezegd? Ze keek me een tel gekwetst aan. Ik trok van mijn sigaret en bracht daarna mijn biertje naar mijn mond, maar ze was me voor, ze graaide het blikje uit mijn hand en dronk het in één teug leeg.
 'Dat is flink,' zei ik. 
   Weer dat toontje. Ik kon er niets aan doen.
 'Weet je,' zei ze, 'vóór jou leefde ik hier ook al.'
   Een van de redenen waarom ik had gezworen nooit nog met iemand samen te wonen, was dat je dan bent veroordeeld tot het voeren van dat soort gesprekken waarin, altijd weer door de vrouw, aan zaken wordt herinnerd waar niemand nog iets kan aan veranderen en die bijgevolg geen redelijk argument vormen, alleen maar emotionele chantage. Alsof het mijn schuld was dat ze hier in deze buurt was komen wonen, jaren terug. Alsof ze alleen maar door mijn toedoen...
 'Dat weet ik toch, zoet,' zei ik.
 'Dat weet jij niet,' zei ze.
   Natuurlijk wist ik dat en wist ik dat tegelijk niet. Ik had Patrick nooit gekend of zelfs maar ontmoet, haar ex had nagenoeg iedereen kunnen zijn. Toen ik op het toneel verscheen, was hij al definitief uit haar leven verdwenen. Maar dat hij hier, in deze lange sofa net als ik met een biertje en de krant had gezeten, vele, vele avonden, dat wist ik wel, dat was zonneklaar.
 'Misschien moet je de gordijnen niet sluiten als er buiten nog licht is?' zei ik. 'Dat is een gekke gewoonte van je, weet je dat?' 
   Daarna ging het snel. Dominique veerde recht en enkele furieuze seconden later had ze de gordijnen uit de ringen gesleurd, ze had er zelfs wat stukwerk bij vernield.
 'Jezus,' zei ik. 'Wat was dat?'
   Ze keek me hoogrood aan, haar onderlip beefde en toen kwamen de tranen. Ik ging bij haar staan en omhelsde haar.
 'Al goed,' zei ik. 'Rustig maar.'
   Het laatste licht van wat een mooie dag was geweest, stroomde binnen. Het was misschien zonde van de gordijnen, maar niet van dat licht. Waarom ze altijd rond de klok van zeven de gordijnen dicht wou, was me eerlijk gezegd een raadsel. Het uitzicht was verademend. Andere woonblokken, al net zo troosteloos als die waarin wij een flat betrokken, maar toch. Ruimte.
 'Nu moet je wel nieuwe gordijnen,' zei ik glimlachend en ook zij begon te lachen, Dominique.
   We keken televisie die avond, allebei lui in de lange sofa hangend. De rust was na het voorval met de gordijnen teruggekeerd. Dominique had zo van die buien. Gelukkig duurden ze nooit lang. Ik had geleerd niet meteen het ergste te denken, of zelf te flippen. 
   De grote schemerlamp bij de boekenkast brandde de hele dag door. Toen het helemaal donker was buiten, zag ik ons spiegelbeeld in het raam zonder gordijnen. Ik zat met mijn rug tegen de rand van de sofa. Dominique lag met haar hoofd op mijn bil. Ik meende dat dit de eerste keer was dat ik ons tezamen in een spiegel zag. Tot vóór zes maanden kende ik haar niet eens en zat ik in mijn eentje in een flat en probeerde ik Heidegger te lezen 's avonds. Ik streelde onder het televisiekijken haar voorhoofd, maar eigenlijk keek ik meer naar waar er tot voor enkele uren gordijnen hingen en waar ik nu mezelf zag zitten. Net een aquarium, dacht ik. We woonden hoog, zoals ik al zei, de zeventiende verdieping. Het woonblok dat uitkeek op dat van ons lag een voetbalveld verder. Waar er licht brandde, kon je af en toe iets zien bewegen, maar met het blote oog viel niet te zien wat er precies in die appartementen gebeurde. Nou ja, wat doen mensen zoal in een flat? Dat dacht ik. Ze lopen naar de koelkast en ze komen terug met een potje chocoladepudding. Ze lezen de krant, zitten achter een computer te gamen, staan te strijken.
 'Misschien moeten we het licht uitdoen?' zei Dominique. Alsof ze mijn gedachten kon raden.
 'Op die afstand zie je niks,' zei ik. 'Maar als je wil dan doe ik het licht uit en dan kijken we in het donker verder televisie.'
 'Lief van je,' zei ze.
   Ik kwam terug met een biertje. We deelden altijd een biertje. Nog zoiets waaraan ik had moeten wennen. Ik ging zitten. Dominique legde haar hoofd weer in mijn schoot. Op de televisie was er een verkiezingsprogramma met de kopstukken van de verschillende politieke partijen. Iedereen zei zo'n beetje wat iedereen al lang wist en waarmee niemand het eens was. Ik keek weer naar het gordijnloze raam en nam een slok. Nu ik mijn biertjes met mijn vriendin had te delen, telde ik ze niet meer en werden ze niet meer door mijn vriendin geteld. Dat vond ik dan weer prima.
 'Niet doen,' zei Dominique toen ik het koude blikje tot bij haar wang bracht. 'Ik hoef niet, dank je.'
   Het kopstuk van de liberale partij, een witharige man met een blauwe das, zei iets over het beperken in de tijd van de werkeloosheidsuitkering en ik zei iets in de trant van fuck of. Het ontviel me, ik had er niet bij nagedacht.
 'Kun je dat soort gratuite commentaar voortaan voor jezelf houden?' zei Dominique. 'Alsjeblief?'
   Ik herinnerde me niet ooit over politiek te hebben gepraat met haar. Ik ging er van uit dat ze net als ik het hart op de juiste plek had en op de socialistische partij stemde. 
 'Je bedoelt?' zei ik, maar ik maakte mijn zin niet af. Ik nam nog een slok. Dominique reageerde niet. Ja, dat bedoelde ze misschien. Dat ze er geen moeite mee had om iemand die reeds aan de grond zit nog wat dieper te stampen.
 'Nou nou,' zei ik.
 'Wat, nou nou?' zei Dominique.
 'Hé, is er niet wat anders op tv?' zei ik. Ze reageerde niet. We bleven naar dat stomme politieke programma kijken. Ik heb de hebbelijkheid om te denken in iemand zijn of haar plaats. Dat deed ik die avond ook. In mijn verbeelding zei Dominique dit: 'Jij denkt dat het die lui van de liberale partij alleen maar om winst is te doen, eigen profijt en zo, de betere klasse nog beter maken, maar heb je er al eens bij stilgestaan dat je mensen in de armoede houdt net omdát ze een uitkering krijgen en dus weinig moeite doen om hun levensomstandigheden te verbeteren?' En ik reageerde daarop, in mijn verbeelding, met dit: 'Je bedoelt dat liberalen eigenlijk socialisten zijn? Of wat?' Zij weer: 'Nee, dat bedoel ik niet. Er gaat een gans andere maatschappijvisie achter schuil. Mensen maak je niet weerbaar door maandelijks hun huur en hun ziektekosten op te hoesten, weet je?' Enzoverder. In mijn verbeelding dus. Dominique had geen woord meer gezegd en ik zat daar maar in het donker naar de verlichte appartementen te kijken verderop. Ook daar zaten vast stelletjes in de sofa naar dat stomme programma te kijken. 
   Ik begon opnieuw haar voorhoofd te strelen, haar slapen. Ik liet mijn vingers door haar zachte, kastanjebruine haar glijden. Ik betastte met de toppen van mijn vingers haar hals en daarna bevoelde ik het door haar sleutelbeen gevormde dalletje onder haar schouder en zakte verder en legde tenslotte mijn hand op haar borst waar hij roerloos bleef liggen. Dominique had prachtige borsten en dat wist ze. In de badkamerspiegel kon ze haar borsten lang staan monsteren en ze vond het niet vervelend als ik in het deurgat bleef staan kijken terwijl ze met een trotse blik haar borsten bekeek. Ze genoot er van als ik daar gebiologeerd stond te kijken naar wat ook haar goedkeuring wegdroeg. Ze zei nooit zaken als: 'Vind je mijn borsten teveel hangen? Te dik? Teveel op peren lijken?' Al die vervelende dingen liet ze uit. Bovendien waren haar borsten niet te si of te la. Er schemerden geen aders door. Er zaten geen rode vlekken op. Haar tepelhoven waaierden niet onmogelijk breed uit, maar leken netjes aangeharkt in volmaakt, gebronzeerde cirkels van delicaat kippenvelvlees. Haar tepels zelf waren donkerroze, niet te groot, niet te klein. Ik had haar tepels eens vergeleken met de snoetjes van heel erg kleine biggen, zo schattig. Ze veerden op als ik er met het puntje van mijn tong aan likte. Ze hield er wel van als ik dat soort malle zaken zei. Haar borsten waren niet de borsten van een zestienjarige, nee. Dominique had de borsten die bij haar leeftijd pasten, helemaal volmaakt naar mijn gevoel. Rijp, adembenemend vol. Soms zei ik: 'Je hebt Griekse borsten.' Wat ik daarmee bedoelde, wist ik zelf niet, maar het klonk prettig, klassiek en zo. Of ik zei: 'Ik voel mij Michelangelo als ik aan je borsten zit.' Iedere avond wilde ik in bed haar borsten betasten. Ze waren groot en mals.  Ze waren niet te groot en ze waren ook niet verpapt. Mijn hand liep als een beker over als ik ze helemaal wou omvatten. Ik kreeg er maar niet genoeg van. Of er nou seks van kwam of niet, iedere avond wou ik in bed, vooraleer te slapen, haar borsten voelen, ongeveer zoals een kind, voor het slapen, nog een tijdje het licht aan wil hebben. We waren al zo ver met elkaar dat ze wist wanneer ik haar borsten betastte louter om de lekkere textuur, louter om het betasten zelf, en wanneer ik meer wou, wanneer ik aanstuurde op vrijen. 'Je bent een kind, weet je dat?' had ze eens lachend gezegd. Het zal waarschijnlijk de eerste keer zijn geweest dat ze begreep dat het me om niet meer was te doen dan louter voelen. 'Werelderfgoed,' had ik eens over haar borsten gezegd. 
   In de palm van mijn hand voelde ik haar tepel door de stof van haar slaapkleed heen. Ik hield ervan als ze zonder BH door de kamer banjerde. Mals als olie, dansend als derwisj, haar borsten. God, wat was ik er dol op. Mijn hand bleef roerloos liggen. Ze ademde rustig en ik kon haar hartslag voelen. Aan het woord was de partijvoorzitter van de linksen. Ook een hoop clichés.
 'Op wie ga jij stemmen, zondag?' vroeg Dominique.
 'Ik ga op je borsten stemmen,' zei ik. Het was flauw. Ik wist het meteen. Meestal had ik meer inspiratie als ik aan haar borsten zat.
 'Serieus,' zei ze. Het klonk niet als een vraag. Ik zei dat ik misschien wel eens voor de liberalen ging stemmen.
 'Voor die vriendjes van je,' voegde ik er aan toe. 'Aangezien zij de heuse socialisten zijn.' Ik had meteen spijt dat ik dat had gezegd. Mijn hand lag niet langer roerloos op haar borst, maar eerder verkrampt. Wat ik voelde was, geloof ik, eenvoud, eenvoud die me ontglipte.
 'Waarom zeg je dat nou?' vroeg Dominique. Ze nam mijn hand en duwde die van zich weg. Ze ging op haar elleboog steunen en probeerde me aan te kijken. Het was donker in de woonkamer en ook haar blik was van een donkere vijandigheid.
 'Wat heb jij?' vroeg ze geërgerd.
   Het politieke programma was ten einde. Ik dacht dat mijn opmerking over die vermeende vriendjes van haar zou verdampen zodra er een ander programma begon, maar ik had het mis en toen ik bleef zwijgen, ergerde haar dat nog meer. In mijn verbeelding zei ik dit: 'Sorry, je hebt gelijk, dat was flauw van me.' En zij zei: 'Ja, dat was inderdaad flauw, wat heb je toch?' En ik zei nogmaals sorry en toen ging ze weer met haar hoofd in mijn schoot liggen en zocht mijn hand weer haar zachte boezem. Maar het pakte anders uit. Ze ging rechtop zitten. Het laatavondjournaal begon. Ook daar haast uitsluitend binnenlandse politiek, dezelfde koppen, dezelfde promopraat. Weer dat kamerlid met het witte haar en de blauwe das. De verkiezingen zaten er duidelijk aan te komen, mijn hoeveelste al? Dominique liep naar de keuken en maakte het grote licht aan. Ik zag me in mijn eentje zitten in het tot spiegel getransformeerde raam, scherper dan voorheen. Ik haatte dat grote licht. Zelf deed ik het nooit aan. Met alleen maar de schemerlamp bij de boekenkast, zag je ook 's avonds genoeg en lukte het aardig de krant te lezen. In mijn verbeelding liep ik haar achterna. Ik greep haar vanachter bij haar heupen stevig vast. Ze spartelde tegen, draaide zich om en sloeg een paar keer met een slap vuistje tegen mijn bovenarm, boos maar niet voor altijd, kwaad maar met een bezorgd hart over wat me nu precies dwarszat. Waarna we elkaar wild begonnen te zoenen en elkaar de kleren van het lijf rukten, ongeveer zoals zij die avond in een moment van blinde woede de gordijnen van de ringen had gerukt, omdat die gordijnen haar te veel aan het verleden deden denken. In mijn verbeelding dus. Ik bleef daar een tijdje in mijn eentje zitten kijken naar mijn spiegelbeeld. Op die manier vijftig jaar zijn, daar was eigenlijk ook niks aan. Dominique kwam niet meer terug uit de keuken en toen ook ik naar bed ging, sliep ze, of deed alsof. Haar borsten liet ik die nacht onaangeraakt en ook dat was de eerste keer sedert we het bed deelden. Ik sliep na een kwartiertje in, maar amper een uurtje later lag ik wakker. Ik stapte uit bed en rookte een sigaret in de woonkamer. Geen enkel licht in het woonblok aan de overzijde. Als ik aan mijn sigaret trok, zag ik de askegel opgloeien en een stuk van mijn gezicht in het raam verschijnen met daarachter alleen maar donkerte. En daarna zag ik het langzaam doven.

DE WEDUWNAAR






Hij was weduwnaar, woonde in een bos en had keelkanker. Rita bezocht hem twee tot drie keer in de week. Haar man, Daniël, had met tegenzin ingestemd met het vrijwilligerswerk dat ze wou gaan doen. Eigenlijk vond hij het een belediging voor de bezoldigde arbeid die hij al jaren tegen zijn zin deed, maar hij zei dat het niet goed was als ze nog met kankerpatiënten in contact kwam, net nu ze zelf genezen was verklaard. De kinderen waren bijna het huis uit. Tweehonderd en vijf dagen scheidden hem van zijn pensioen. Dat was niet zo heel erg veel meer, maar sinds hij de resterende dagen afvinkte, verliep de tijd nog trager. 
 'Ik wil me weer nuttig voelen,' had Rita gezegd.  
   Waarom willen vrouwen altijd iets voelen? Hij bladerde af en toe in de magazines die Rita kocht als ze het lottoformulier binnenbracht. Een artikel met de ronkende titel Ik wou mij weer vrouw voelen las hij helemaal uit, maar hij was teleurgesteld omdat het niet over ruige seks ging. Het was hem ook een raadsel hoe zij zich nuttig kon voelen bij iemand die over enkele maanden de pijp uit was.
 'En hoezo, hij woont in een bos?' 

Mijn pa is Daniël en mama heet ook in het echt Rita. We moeten een taak maken voor Simons van Nederlands. Iets over vertelperspectieven. De alwetende verteller, het auctioriale vertelperspectief. Die zever, weet je wel. Een voorbeeld? Mijn pa, Daniël, is echt wel een uitgebluste spoorwegarbeider. Hij wordt er over een jaartje vijfenvijftig en dan mag hij met brugpensioen. Kan nauwelijks wachten. Mijn ma heeft kanker. Of liever, mijn ma heeft kanker gehad. Ongeveer zoals ze vijf jaar geleden ook al eens kanker heeft gehad en volledig genezen werd verklaard en dan plots, tegen alle voorspellingen in, toch herviel. Die shit, weet je wel. Echt sneu voor mama. Maar nu is ze dus opnieuw kankervrij. En dat vrijwilligerswerk van haar, dat is ook naar waarheid. De weduwnaar met keelkanker heet Tibeau. Ik denk dat hij een jaar of vijfenzestig is, zeventig misschien. Zo geel als maïs. Joekel van een neus. In een bos wonen, doet ie ook. Ik heb nog een oudere zus, Mia. Haar lief, Lode, kan ik niet uitstaan. Ze hadden al getrouwd moeten zijn, maar met mama's ziekte wordt de trouwpartij steeds uitgesteld. Kan ik in komen. Maar misschien dat het nu snel kan gaan? Ze praten al van grond kopen en bouwen en ze neuken volgens mij de vrijdagavond onder het ouderlijke dak. 
 'Hoezo, hij woont in een bos?' vroeg papa dus. Dat heeft ie echt zo gevraagd. Hij zat aan de keukentafel een sigaret te roken. Mag hij niet meer. Ik bedoel, hij mag niet meer in huis roken. Maar het regende buiten, of het woei erg hard. En dan is buiten roken onmogelijk, vindt hij. Ik geloof dat hij jaloers is. Nou ja, ik weet het wel zeker. Hij krijgt zo'n beetje een verbeten trek rond zijn neus als hij zich gepasseerd voelt. Jaloers waarop? Op een terminale bejaarde? Volgens mij zit het zo. Op de een of andere manier verliest hij mama toch aan kanker. Niet aan d'r eigen kanker, maar aan die van de boswachter Tibeau. O ja, dat vergat ik nog te zeggen. Tibeau was vroeger boswachter. Dat bos is natuurlijk niet van hem, maar van baron Huppeldepup. Hij, Tibeau, mag op het domein blijven wonen. Nog enkele maanden in ieder geval. Mama helpt hem bij het huishouden. Al zegt ze zelf liever dat ze morele steun geeft. Dat ze hem bijstaat in zijn vreselijke ziekte. Zelf kankerpatiënte geweest, ervaringsdeskundige. Als ze kon, dan bezocht mama Tibeau elke dag. Effen uitblazen nu. Simons kan mijn rug op. Met zijn alwetend vertelstandpunt. Doei.


De maandag, woensdag en vrijdag. Dat zijn haar dagen. Mama's dagen in het bos bij Tibeau. Ze vertelt er veel over. Hoe kranig hij zijn ziekte draagt. Die shit, weet je wel. En dat hij al lang weduwnaar is. Om mijn vader te kloten, luister ik altijd heel erg geboeid als ze over Tibeau vertelt. En ik stel vragen. Zout in de wonde, weet je wel. Haar aan de praat houden. Dan zit mijn vader vanbinnen te klieren. Zeker weten. Als ik bijvoorbeeld vraag: 'Hoelang is de vrouw van Tibeau al gestorven?', dan voel ik papa's rancuneuze aandacht groeien. We gaan nu al enkele weken ook de zaterdag naar Tibeau en het bos. Mama, papa en ik. Mia en Lode hebben dan het huis voor zich en volgens mij neuken ze elkaar ook 's zaterdags suf. Als we 's avonds terugkeren dan zeg ik altijd: 'Verdomd, wat ruikt het hier toch vreemd.' En dan zie ik mijn zus met schuwe oogjes kijken of er ergens iets verdachts is blijven slingeren. En dan ga ik zo'n beetje met mijn neus bij Lode hangen. Snuivend, weet je wel. 'Naar wat ruikt het hier dan?' vraagt mama. 'Ik weet het niet,' zeg ik. 'Naar iets, iets.' Eigenlijk ruik ik alleen maar de brandlucht die in mijn kleren hangt. Terwijl mama voor Tibeau zorgt, kuisen papa en ik het bos een beetje op. Enfin, wat we eigenlijk doen is vuurtjes maken. Van struiken die we uit de grond spitten. Daar zijn we de hele dag mee zoet. En wat brandhout klieven, dat ook. Soms gooien we een vislijntje uit. In het bos van Tibeau is ook een vijver. Kutvijver. Met een paar eenden en kikkerdril. Nog niets gevangen. We worden door mama twee keer in het huis getolereerd. Ge wat, Verbeke? Getolereerd, meneer Simons. Tenminste als we onze vuile laarzen uitdoen. Tegen de middag krijgen we een kom soep en zo rond een uur of drie is er koffie en een stuk cake die mama zelf heeft gebakken in de oven van Tibeau. Nog een heuse steenoven zoals bij de Italiaan. Appelcake. Door de kanker is Tibeau z'n stem zo goed als kwijt. Mama moet echt tegen zijn mond hangen als Tibeau iets zegt. Anders begrijpt ze hem niet. Nou, ik verzeker je, als je het plaatje niet snapt dan zou je denken dat die twee aan het knallen zijn. Veel zegt hij niet meer, Tibeau. Tegen mijn pa zeg ik dan dat die twee, mama en Tibeau, elkaar ook zonder woorden begrijpen. Dat steekt, kennelijk. Dan bekijkt mijn pa me zo eens en dan kijk ik terug met een uitgestreken gezicht. Volgens mij zal hij een gat in de lucht springen als Tibeau de pijp uit is. 'Kanker is een rare ziekte hoor,' zeg ik soms zomaar, langs mijn neus weg. Op een toontje alsof ik zelf oncoloog ben. Dat woord moet ik zeker gebruiken. Simons houdt er wel van als je beslagen ter ijs komt. Dan denkt hij dat je hard aan je taak voor Nederlands hebt gewerkt. Een ouwe boekhouderskop heeft ie, Simons. Nou ja, het woord oncologie ken ik omdat mama zelf kanker heeft, heeft gehad. Persoonlijk denk ik dat niemand helemaal kankervrij is. Ik weet niet goed waarom ik dat denk, maar het ligt zo' n beetje in de orde der dingen. Aan elk meisje is wel wat. Zodra je haar wat beter leert kennen, ben je al niet meer zo verliefd als in het begin. En tegen dat je er erg in hebt, zit je al respectloos aan d'r tieten. Wat je in het begin voor onmogelijk hield. Waar je zogezegd helemaal niet op uit was. Zo erg verliefd ben je maar korte tijd. Dan slaat de kanker toe. Ook de mens die zo gezond is als een vis en die zich altijd kiplekker voelt, is niet helemaal kankervrij. 'Hou jij eens je wafel, wil je?' zegt mijn pa als ik daarover uit mijn nek sta te kletsen. Ik zeg het je, het zit hem niet lekker dat mama de hele dag voor Tibeau zorgt. Ze heeft een echtgenoot waarvoor zij moet zorgen. Een gezin. Papa kan een boswachter met keelkanker missen als de pest. 'Ik denk dat hij weer helemaal zal opknappen, papa,' zeg ik. 'Wie?' Wie, vraagt hij. Volgens mama was Tibeau niet alleen boswachter, maar ook kunstenaar. Nu niet meer. Te ziek. Om te schilderen, moet je niet veel kunnen zeggen. 'Waarom denkt mama dat meneer Tibeau vroeger kunstenaar is geweest, papa?' Op een toontje. Haha. 


Je hebt ook nog andere vertelperspectieven. Ik zou mijn moeder dit verhaal kunnen laten vertellen. Waarom ze het doet en zo, waarom ze voor een andere kankerpatiënt wil zorgen? Wat ze werkelijk van Tibeau vindt? Of alleen maar medelijden haar drijft? Dat soort zaken. Psychologisch misschien wel interessanter? Simons zou er van opkijken. Mij ervan beschuldigen dat ik het uit een boek heb. Of het verhaal door mijn pa laten vertellen? Hoe hij aan dat geweer kwam? Hoe het precies gebeurde allemaal? Maar dan zou het natuurlijk heel erg ernstig worden. Nou, mij niet gezien. Simons moet maar een boek lezen als hij het alwetende vertelperspectief wil. De bijbel bijvoorbeeld. Ik ben God niet. Haha. Neem nou mijn ma. Die weent bij de minste scheet. Als papa iets onvriendelijks over Tibeau zegt, of iets onvriendelijks tout court. Meteen tranen. Overgevoelig, mijn ma. Als ze bij het afwassen een glas laat vallen of zo, dan weent ze ook. Als ze de bedden niet opgemaakt krijgt, dan weent ze. Alles gaat kapot. Ja, oké, maar wenen om een gebroken glas? Om een onopgemaakt bed? Dan ben je niet goed bezig als je het mij vraagt. Ik begrijp mijn ouwe wel, heus. Is mama dan eindelijk genezen, gaat ze zich de ellende van een ander aantrekken. Daar heeft hij dus geen boodschap aan, papa. En wie zegt er dat er na deze Tibeau geen andere kankerpatiënt volgt? Kanker genoeg in deze wereld. Zoals ik al zei, niemand is helemaal vrij van kanker. Ik ook niet. Het is makkelijker om alles uit mijn perspectief te vertellen. Neem nou dat geweer. Heavy shit, ik zweer het je. Ik stond tegen een tak te schoppen, bij het vuur. Groene bladeren geven witte rook. Scherpe, witte rook. Mijn ogen traanden. Mijn ouwe dacht dat ik stond te huilen. Vindt hij geinig en zo. Altijd dezelfde grap. 'Waarom sta je te grienen, jongen?' vroeg hij. 'Ik sta niet te grienen, het komt door de rook.' Met mijn domme kop sta ik het ook nog een beetje uit te leggen. Dus zie ik eerst niet dat hij een geweer bij zich heeft. Richt hij dat geweer ook nog eens op mij, het kalf. 'Je geld of je leven,' zegt hij. Ik wist natuurlijk meteen dat mijn pa aan het dollen was. Dus ik er naartoe. 'Geef eens,' zeg ik. 'Nee,' zegt mijn pa. 'Waar heb je dat geweer vandaan?' vraag ik. 'Jouw zaken niet,' zegt hij. 'Toe, geef eens,' zeg ik. Maar het is verloren moeite. Mijn pa is zo koppig als een ezel. Nou prima, ik doe verder alsof hij lucht is. Stop dat geweer in je reet, denk ik. Mijn pa gaat dieper het bos in. Denkt vast dat hij een ree zal kunnen afknallen. Ik zie hem tussen het groen en de rook verdwijnen. Enkele minuten later hoor ik een knal. En kort daarop nog een knal. Fuck, denk ik, die is echt aan het schieten. Ik er naar toe. Wil ik dus ook wel eens doen, knallen met een echt geweer. Ik vind hem in een stuk bos waar we nog nooit zijn geweest. 'Hé, pa,' doe ik. Vriendelijk en zo. 'Ik wil ook eens.' Hij antwoordt niet, schoudert het geweer en schiet. 'Nu ik,' zeg ik. 'Toe?' Maar hij lost niet. Hoe het allemaal is gebeurd? Had hij mij maar laten schieten met dat geweer. Dan was er helemaal niks gebeurd. Dan had ik gemikt zoals hij en op dezelfde boomstam geschoten. Maar nee, ik mocht niet. Ik stond daar zo'n beetje te smeken. Schaam ik me nu nog om. Hij vuurde wel tien keer. 'Prima geweer,' zei hij. Als om mij te jennen. Ik kookte. Moet hij plots pissen en zet hij dat geweer tegen een boomstam en zie ik mijn kans. 'Afblijven,' waarschuwt hij me. Ik wacht geduldig mijn kans af. Als ik zijn pis tegen de boomstam hoor kletteren, enkele meters van het geweer vandaan, ren ik er naartoe. En vooraleer hij er erg in heeft ben ik al verdwenen. Ik ren in de richting van het woonhuis. Ik hoor mijn pa vloeken. Niet normaal, ik zweer het je. Zo luid heb ik hem nog nooit horen vloeken. Om de een of andere reden, waarschijnlijk omdat ik plots schrik heb,  zie ik van mijn oorspronkelijke plan af. Ik storm op de deur af. Mama moet mij beschermen.


De schrik sloeg de jongen om het hart. Hij wou dat hij het geweer had laten staan.  Zijn vader kon wel een geintje hebben, maar dit was er bepaald over. Waar zat hij met zijn gedachten? Het tweeloopswapen lag zwaar in zijn handen en belemmerde hem bij het rennen. Hij wist niet dat zijn vader, Daniël, weliswaar boos was, woedend zelfs, maar meer nog bezorgd dat er hem iets zou overkomen. Als in een droom waarin hij zelf nauwelijks vooruitkwam, voelde hij zijn oude heer naderen. Hij spurtte naar het terras van Tibeau. Mama moest hem beschermen. Mama. 
   Daniël, op zijn beurt, kon zich wel voor de kop schieten. Wat had hij gedacht toen hij met dat geweer in het bos ging stunten? Zijn zoon was er zeventien, wist met zichzelf geen raad. Hij liep, hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Het was alsof hij door zijn eigen vader achterna werd gezeten en een geweldige afstraffing wachtte, alsof het onrustbarende van de situatie vorige generaties alarmeerde en op stang joeg. 
   Rita dacht op haar beurt dat het onopgemerkt zou blijven, dat het een daad van barmhartigheid was. Ze liet haar hand gedwee door Tibeau onder het deken naar zijn stijve geslacht leiden, naar wat onder het wassen wel eens teken van opwinding gaf, maar nu hard en groot en gebiedend was. Het maakte haar wee. Ze streelde. Protest en gewilligheid gingen samen. De arme man kreunde. Het geluid kwam van jaren ver.