vrijdag 29 augustus 2014

OPENINGEN




Een dagboekbladzijde van een met zichzelf worstelende schrijver kan makkelijk zo beginnen: 'Je bent een waardeloze vent als je op zondag met een geweldige kater languit op de sofa naar porno ligt te surfen, maar de kans is groot dat je dagboek net daarom met extra aandacht wordt gelezen.'
   En een thriller vangt geestdodend vaak aldus aan: 'De stewardess van vlucht PA383 Johannesburg-Londen, had dik, goudkleurig haar, dat ze hoog opgestoken had.'
   Natuurlijk zijn er een hoop literaire dagboeken en thrillers die niet aldus beginnen, maar de strekking is niet zelden deze door mij hierboven geschetst. En wat ik daarmee bedoel is dit: tot op zekere hoogte zijn beide genres waardeloos. Het zal de lezer die naar verstrooiing zoekt in het eerste geval worst wezen waarmee een met zichzelf worstelende schrijver eigenlijk worstelt. Belangrijker is: hoe geeft de auteur dat geworstel gestalte? Wat levert het qua literatuur op? Buigt hij zijn menselijk tekort om in een verhaal dat iedereen kan aanbelangen? Om het met Bernard Shaw te zeggen: not things about himself, but as if it was the whole human race giving you a bit of its mind. En in het tweede geval, wat betreft het gros van de thrillers, blijft zo'n blonde stewardess uit Johannesburg of Londen louter van bordkarton en zal het wel zo zijn dat ze voor het verhaal een nodeloos van het dak vallende mus is. Iemand moet de held een single malt brengen, tienduizend voet hoog. Ook al is ze één en al glimlach, een heus gezicht krijgt Miss Pan Am niet. Waardeloos dus.       
   Bovendien, er zijn slechts een twaalftal verhalen, dat wisten de oude Grieken al. En alle verhalen zijn herleidbaar tot dat twaalftal. Van de in Syrië ontvoerde oorlogsfotograaf tot de West-Vlaamse grootmoeder die haar laatste levensdagen al koutend over het verleden in een rusthuis slijt en graag een kaartje legt met haar buurman Camiel.
   Het literaire dagboek is er louter voor de fijnproever met een zee aan tijd en bijgevolg verkoopt het genre voor geen meter en waagt tegenwoordig geen enkele uitgever er zich nog aan, tenzij dat dagboek door wereldsterren als Salman Rushdie of Paul Auster wordt geschreven. En een thriller is meestal zo belabberd qua stijl dat een heuse literatuurliefhebber er onmogelijk doorkomt. De vraag van één miljoen is dus hoe een schrijver die literatuur ernstig neemt toch zijn ding kan doen zonder dat iedereen van verveling in mekaar zakt. Hoe, met andere woorden, de geniale Nabokov te verzoenen met de onbeduidende, van elk schrijftalent verstoken Griet Op De Beeck? 
   Dat is de vraag, neem ik aan.
   Ter broodwinning ben ik taxichauffeur en af en toe maak ook ik iets mee waarvan ik denk: verdomd, als ik niet zo'n louter in literaire verwennerij grossierende snob zou zijn, zo'n uit dure meningen opgetrokken landjonker, dan heb ik met dit verhaal goud in handen. 
   In de vooravond van een zomerse dag in juni kreeg ik op de display van mijn taxi een adres in de haven waar ik iemand moest oppikken. Ik stond al een half uur aan de Korenmarkt op een opdracht te wachten en ik zat net lekker in Falconer van John Cheever. Ik had een Nederlandse vertaling voor slechts enkele euro's in een tweedehands boekwinkel op de kop kunnen tikken. Het werk dateert uit de jaren zeventig van de vorige eeuw en viel onder het lezen letterlijk uit elkaar. Helemaal uitgelezen zou het boek finaal naar de vaantjes zijn, dus geniet even mee bij wat ik met een potloodje onderlijnde: In die tijd was ik zo'n man die je altijd alleen in Chinese restaurants ziet zitten eten. Je weet wel. Overal kom je ze tegen, in dit land en in enkele delen van Europa waar ik ben geweest ook. De Chung Fu Dynastie. Het Hap Kauw Slik syndicaat. Overal rijstpapieren lantarens in teakhouten frames. Soms laten ze de kerstverlichting het hele jaar door hangen. Papieren bloemen, veel papieren bloemen. Grote gezinnen eten er. Ook excentriekelingen. Dikke vrouwen. Nette pakken. Joden. Soms een verliefd paartje en altijd zo'n man in zijn eentje. Ik. Ons soort eenlingen eet nooit de Chinese kost. We nemen in Chinese restaurants altijd de biefstuk, of de bal gehakt met patat. We zijn internationaal. Goed, ik ben zo'n man alleen en zit aan de biefstuk in een Chinees restaurant aan de buitenweg van Kansas City. Elke stad die het voor het zeggen heeft gehad, heeft een plek buiten de stad waar je naar toe moest voor drank, een nummertje, een motelbed voor een paar uur.
   Op de display van mijn taxi verscheen dus dat adres in de haven en daar moest ik naartoe. Een kwartiertje rijden. Het was een mooie, warme zomeravond. Ik reed met het raampje open en dacht aan wat me zo fascineerde aan John Cheever en aan dat fragment in het bijzonder. Cheever heeft weliswaar enkele romans geschreven, maar hij is eerder met zijn verhalen wereldberoemd geworden. Zijn romans lijken wel bij elkaar gesprokkeld met materiaal dat net zo goed in verhalen had gekund. Je zit op de trein als je een roman van Cheever leest. Diverse landschappen trekken aan het raam voorbij. Bij Dostojewsky heb je net het omgekeerde. Een eindeloze vlakte. Een eindeloze Russische vlakte. Wersten ver. Vergelijkbaar met een industriegebied waarin de afzonderlijke fabrieken en bedrijven zozeer op elkaar lijken dat je je verveelt. Zoals ik al zei, het was een prachtige zomeravond. Maar industriegebied blijft industriegebied. Toneel van nutteloosheid, verveling, plicht, ploegarbeid, negers. Industriegebied wordt zelfs lelijker naarmate het weer mooi is. Enfin, daar dacht ik dus allemaal aan toen ik op weg was naar dat adres in de haven. Ook John Cheever was een verwoed dagboekschrijver. Een selectie verscheen bij De Arbeiderspers, privé-domein. Het boekwerk heet Verscheurde stilte en ondanks mijn liefde voor het werk van John Cheever ben ik er nooit helemaal doorheen geraakt. Cheever was bi-seksueel en in de vorige eeuw was die seksuele geaardheid geen geschenk. Dat is het in de 21ste eeuw evenmin, denk ik, maar althans in het Westen is er een zekere tolerantie ontstaan, of onverschilligheid. Het interesseert niemand. Dus krijg je bij Cheever dit soort dagboekaantekeningen: Ik ga naar de psychiater, en terwijl we praten over castratie en homoseksualiteit heeft onze dialoog iets omzichtigs. Ik heb niet duidelijk gezegd dat ik homoseksuele neigingen heb, en dat die een bron zijn van pijnlijke zorg. Ik denk dat ik het overdrijf. Nu hij mij voorzichtig de kans laat om een bekentenis af te leggen, wil ik het wel, maar iets in zijn manieren of in de atmosfeer weerhoudt me ervan om zomaar te roepen dat ik me soms angstig afvraag...
   Enzovoort, enzoverder. Eindeloos. Ik val daar eerlijk gezegd bij in slaap. Dit is niet de John Cheever waarvoor ik een knieval maak. 
   Cheever's verhalen verrukken me, maar aan zijn dagboek beleef ik geen plezier. Dat was ook de bedoeling niet, kun je zeggen. Cheever hield geen dagboek bij met het oog op publicatie. John Cheever is Benno Barnard niet. Daaraan dacht ik dus allemaal toen ik het opgegeven adres in de haven bereikte. Een jongeman kwam me melden nog even te wachten. Ik zette de taximeter aan en verdiepte me weer in Falconer. In mei 1976 nam die roman een half jaar lang de toppositie in op de Amerikaanse bestsellerlijst. Een van de redenen hiervoor was Cheevers stijl waarmee het meest realistische naast het meest bizarre wordt geplaatst. Saul Bellow, die Cheever een His master's voice noemde, stelde dat er een nimmer na te bootsen, geheel op zichzelf staand Cheever-land bestaat. 
   Ik was dus daar in de roman waar de held van het verhaal in dat Chinese restaurant zit. Ik las: Aan een tafeltje zit een jonge man. Hij ziet er aantrekkelijk uit, maar dat komt omdat-ie jong is. Over tien jaar ziet-ie er net zo uit als de rest van de wereld. Maar hij blijft naar me zitten kijken en glimlachen. Ik weet bij god niet wat-ie wil. Als ik op een gegeven moment mijn ananas, met een tandenstoker in elk stukje, en mijn gelukskoekje krijg, komt hij naar mijn tafeltje toe en vraagt wat voor goeds mij wordt voorspeld. Dus zeg ik tegen hem dat ik dat ik mijn toekomst niet kan lezen zonder bril en dat ik mijn bril niet bij me heb, waarop hij het papiertje pakt en leest, of doet alsof hij voorleest dat voor mij in het komende uur een mooi avontuur is weggelegd. Ik vraag aan hem wat zijn toekomst is en hij zegt dat die hetzelfde is. Hij blijft maar glimlachen. Hij spreekt heel beschaafd, maar je kunt horen dat-ie arm is. Je kunt horen dat het beschaafde praten is aangeleerd. Als ik wegga, loopt hij met me mee naar buiten. Hij vraagt waar ik logeer en ik zeg in het motel dat naast het restaurant ligt. Dan vraagt-ie of ik wat te drinken op mijn kamer heb en ik zeg ja en of hij misschien zin heeft in een borrel. Hij zegt dat-ie dolgraag een borrel zou drinken en hij slaat zijn arm om mijn schouder, toffe-jongens-krentenbrood, je kent het wel, en samen lopen we naar mijn kamer. Daar zegt-ie of hij de borrels kan inschenken en ik zeg prima en vertel waar hij de whisky en het ijs kan vinden en hij schenkt een lekkere borrel in, komt naast me op de bank zitten en begint mijn gezicht te zoenen. Kijk, het idee van mannen die elkaar zoenen bevalt mij absoluut niet, hoewel het geen pijn deed. Ik wil maar zeggen dat als een man een vrouw zoent je een plus en min situatie hebt, maar een man die een man zoent is, behalve in Frankrijk misschien, een waardeloos soort twee handen op een buik. Ik bedoel, als iemand een foto zou hebben genomen van die vent terwijl hij mij zit te zoenen, dan zou het voor mij een hele vreemde onnatuurlijke foto zijn, maar als het allemaal zo vreemd en onnatuurlijk was, waarom kwam mijn pik dan langzaam maar zeker aan? Toen bedacht ik dat er weinig vreemders en onnatuurlijkers te bedenken viel dan een man die in zijn eentje een bal gehakt met patat eet in een Chinees restaurant in het midden-Westen —dat zoog ik toch niet uit mijn duim— en toen hij naar mijn pik begon te voelen, lief en aardig hoor, en me bleef zoenen, pompte mijn pik zich pas goed vol en begon zachtjes te zingen en toen ik bij hem voelde was hij ook al aardig onderweg. 
   Ik keek van mijn boek op. Enkele ritselende meeuwen bij de kademuur. Geen mens, geen dokwerker te zien. In het met vaalkleurige containerschepen omzoomde Sifferdok lag een nagenoeg wolkenloze hemel schilderachtig naar de avond te neigen. De taximeter was ondertussen al opgelopen tot 14 Euro 60 cent. Dat vind ik dus een van de prettige kanten van mijn beroep als taxichauffeur. Ik krijg bij wijze van spreken betaald om te lezen. Ik heb altijd een boek bij, altijd. Ik heb, bij wijze van noodlectuur, in mijn binnenzak een bijbeltje dat qua grootte in mijn handpalm past. Ik ben al vele jaren taxichauffeur, dus dat bijbeltje las ik enkele keren van voor naar achter, van Genesis tot Openbaring en daarna opnieuw Genesis. Ik sla niets over. Ik lees het gortdroge boek Leviticus, het mensonterende boek Josua, de honderd en een klets Psalmen. Niet in de slappe Willibrordvertaling overigens, maar in dat oude, weerbarstige, plechtstatige Nederlands van de Statenvertaling waar ook Gerard Reve zo dol op was. Ik houd van dat bijbeltje, niet zozeer uit godsvrucht —helemaal niet uit godsvrucht eigenlijk— maar uit liefde voor de Nederlandse taal. Enfin, kwestie mijn tijd niet te verkloten en nog iets op te steken. Ik vermoed dat vele lezers van dit stuk niet meteen weten wat wordt bedoeld met de vrouw van Potifar en het mens moet googlen willen ze dat wel doen. Ik niet. Mij is dat verhaal zonder zoekmachine bekend. Dankzij mijn bijbeltje.
   De metalen schuifpoort van de loods waarin de jongeman weer was verdwenen nadat hij me had opgedragen in de taxi te wachten, stond op een kier en omdat ik wel eens wou weten of ik op Godot zat te wachten, verliet ik mijn taxi en liep naar de loods en net op dat moment kwam een jonge, zwarte vrouw me tegemoet met over haar schouder een propvolle tas. 'Yes,' zei ze. 'I'm here.' Ik opende het achterportier, liet haar instappen en toen ik zelf weer achter het stuur had plaatsgenomen, droeg ze me in gebroken Engels op haar naar het Formule 1-hotel te brengen. Haar tas naast haar op de achterbank. Halverwege de rit ontsnapt er uit die donkerrode tas het gezoem van een elektrisch apparaat en reageert die jonge vrouw daar dusdanig spastisch op dat ik haar uitleg onmogelijk geloven kan: 'My electric tootbrush.' 
  Haar elektrische tandenborstel,— mijn gat. 
  Haar dildo, ja. 
  Hoe ik dat meteen wist? Nou, haar panische reactie verraadde haar en ik had iets gelijkaardigs eerder al eens meegemaakt. Twee Hongaarse meisjes op de achterbank. Met veel te veel schmink. Nou, dan weet je het wel. Dan weet je wat voor soort meisjes dat zijn. En ze hadden er erge lol in gehad. Bovendien, alleen buitenlandse truckers en prostituees frequenteren het Formule 1-hotel. Groezeliger logement vind je in Gent nergens. 
   Ik ving haar blik in de achteruitkijkspiegel. Negerinnen kunnen blozen. Ook dat. En waarom zou je blozen als je electric tootbrush ongevraagd aan het borstelen slaat? 
   Nadat ik mijn klant aan de ingang van het hotel had afgezet, reed ik naar de taxistandplaats aan de Dampoort. Ik kreeg geen nieuwe rit. Ik was blij verder in Cheever te kunnen lezen: Toen schonk hij nog een borrel in en vroeg of ik mijn kleren niet wilde uittrekken en ik zei, en jij dan, waarop hij zijn broek liet zakken en een pracht van een pik te voorschijn bracht, en ik trok mijn kleren ook uit en in onze blote kont zaten we op de bank en dronken onze borrel. Hij schonk vaak opnieuw bij. Af en toe nam hij mijn pik in zijn mond en dat was voor het eerst in mijn leven dat ik ooit een mond om mijn pik heb gehad. Ik bedacht dat zo iets in het journaal of op de voorpagina van de krant er wel verdomde mooi op zou staan, maar mijn pik had blijkbaar nog nooit een krant gezien want die raakte door het dolle heen. Toen stelde hij voor om naar bed te gaan, wat we ook hebben gedaan en het volgende ogenblik ging de telefoon en was het ochtend. Het was stikdonker. Ik was alleen. Ik had barstende koppijn. Ik nam de telefoon op en een stem zei: "Het is nu zeven uur dertig." Toen heb ik mijn bed rond gevoeld of er sporen waren van klaarkomen, maar die waren er niet. Ik ben naar de kast gelopen en heb in mijn portefeuille gekeken en al het geld —zo'n vijftig dollar— was verdwenen. Verder niks, niet een van mijn cheques. Die bisnisjongen had me gewoon opgenaaid, een Mickey Finn voor me gebrouwen en was er met mijn geld vandoor gegaan. Ik was vijftig dollar armer, maar ik had toch wat geleerd. Toen ik me stond te scheren ging de telefoon. Het was die jongen. Je zou denken dat ik nijdig werd, maar niks hoor, poeslief en de vriendelijkheid zelve. Eerst zei hij dat het hem speet dat hij de borrels zo sterk had gemaakt dat ik erdoor van de sokken was gegaan. Toen zei hij dat ik hem niet zo veel geld had moeten geven, dat hij dat niet waard was. Hij zei nog eens dat het hem speet en dat hij me nog eens lekker wilde verwennen, maar dan voor niks, en wanneer we konden afspreken. Goed, ik wist dat hij me had opgenaaid en stoned gevoerd en beroofd, maar ik verlangde ontzettend naar hem en zei dat ik rond half zes weer in het hotel was en of ie dan niet langs kon komen. Ik moest die dag vier bezoekjes afleggen en die heb ik afgewerkt en ik heb drie koopcontracten afgesloten, wat voor die streek heel goed was. Ik voelde me prima toen ik in het hotel terugkwam en ik heb wat gedronken en hij kwam om halfzes opdagen en toen heb ik voor hém ingeschonken. Hij moest erom lachen, maar over de Mickey heb ik niks gezegd. Toen trok hij zijn kleren uit, waarbij ik hem geholpen heb, en zoende me overal. Toen zag hij zichzelf in de grote spiegel tegen de badkamerdeur en dat was voor het eerst dat ik een man zag die zoals ze dat noemen narcistisch is. Eén glimp van zichzelf naakt in de spiegel en hij kon er zich niet meer van losrukken. Hij kon er niet genoeg van krijgen. Hij werd gewoon door zijn spiegelbeeld aangetrokken. Goed, toen heb ik eens nagedacht over wat me te doen stond. Ik had een cheque verzilverd en zo'n zestig dollar in mijn portefeuille zitten. Die moest ik verstoppen. Terwijl hij daar van zichzelf stond te houden, zat ik over geld te tobben. Toen ik zag hoe intens hij echt helemaal opging in hoe hij eruitzag, heb ik mijn kleren van de grond geraapt en ze in de kast gehangen. Hij had niks in de gaten, hij zag niks anders dan zichzelf. Hij stond daar maar voor de spiegel met zijn ballen te spelen en ik stond tussen de kastdeuren. Ik heb het contante geld uit mijn portefeuille gehaald en in de neus van mijn schoen gestopt. Toen wist hij zich eindelijk los te rukken van zijn spiegelbeeld en kwam bij me op de bank zitten en geilde me op en toen ik klaar kwam dacht ik dat mijn ogen uit mijn hoofd zouden barsten. Toen hebben we ons aangekleed en zijn naar het Chinese restaurant gegaan.


Ook de cameraman die de beroemde bergbeklimmer tijdens zijn klim in beeld brengt, klimt. Maar diens halsbrekende manoeuvre's worden niet in beeld gebracht, tenzij er een derde cameraman, etc. Schrijven, zoals ik het begrijp, is altijd het werk van die laatste, anonieme cameraman en bijgevolg behoorlijk ondankbaar. 
   Hield ik een literair dagboek bij, dan zette ik bovenstaande gedachte vast en zeker in het lang en het breed uiteen. Op zondag geschreven. Een meta-gedachte aangaande het schrijven. Geweldig interessant voor wie meta-gedachten aangaande het schrijven geweldig interessant vindt. Maar ik hield geen dagboek bij en het was weer eens zo'n zondag na een nacht vol drank en ik lag languit op de sofa te zieken en naar porno te surfen en waardeloos te wezen en in mij was er geen verlangen daarover verslag te doen, zo ik dat al had gekund. Ik surfte gedachteloos van de ene vetzakkerij naar de andere in de hoop mijn ellendige lichaam nog een klein beetje plezier te verschaffen. En toen herkende ik haar. Mijn blozend zwartje. Het meisje dat ik enkele dagen eerder op de achterbank van de taxi als klant had gehad. Het negerinnetje met haar electric tootbrush. Geen twijfelen aan. In een compilatiefilmpje van zichzelf verwennende meisjes dook ze plots op. Veel meer dan een flits was het niet, maar ik had haar herkend. Het was onmiskenbaar zij. Oogopslag, kapsel, jukbeenderen, lippen, tanden witter dan sneeuw. Wat ze droeg en wat ze vervolgens uittrok. Alles klopte. Geen twijfelen aan. Ik downloadde het integrale filmpje en porno was niet langer porno, althans onder het kijken voelde ik mij niet opgegeild. Het werd eerder iets waarmee ik, gesteld dat ik zou worden uitgenodigd, in een aflevering van Zomergasten intellectuele sier kon maken. En inderdaad, daar had je haar electric tootbrush. Het ding, de lul uit zwarte kunststof, maakte hetzelfde zoemende geluid als ik in de taxi had opgevangen. Ze poetste er kreunend haar vagina dentata mee, om het onkies uit te drukken. So what? Inderdaad, wie maalt er om. Dat soort filmpjes worden tenslotte érgens gemaakt. En waarom niet in de haven van Gent waar deze provinciestad en VOKA zo trots op zijn? 
   Als taxichauffeur moest ik wel vaker naar de haven en toen ik enkele dagen later in de buurt van de loods op een Chinese matroos stond te wachten, een zekere Mo Han Do, die uiteindelijk niet kwam opdagen, gaf ik toe aan mijn nieuwsgierigheid en ging ik een kijkje nemen. De loods was donker en op het eerste zicht leeg. Het rook er vreemd genoeg naar aardappelen en nat textiel. Tegen de verste wand was er een uit spaanderplaten opgetrokken hok in de deuropening waarvan een doek hing. Wat ik daar hoopte te vinden, was me niet helemaal duidelijk en ik realiseerde me ook nauwelijks dat ik wel eens op het verkeerde soort mensen kon stuiten. Maar er was niemand. Ik, Tom Hanks op het porno-eiland. Met de zaklamp in mijn mobieltje tastte ik de ruimte af. Drie statieven. Twee met theaterspots, één met een handcamera en daaronder een laptop. Een lage, grasgroene bank met gecapitonneerde zitting. Warempel de bank uit het pornofilmpje! Ik ging zitten en ontdekte de dikke elektriciteitskabel die als een slang onder een Turks tapijt verdween en aan de rechterwand op een zucht van de contactdoos uitmondde. Me nauwelijks realiserend wat ik eigenlijk aan het doen was, connecteerde ik de zaak en zat ik plots niet alleen in het exploderende licht van de theaterspots, maar sloeg ook die handcamera aan het filmen en lichtte het scherm van de laptop op. In plaats van me als een geschrokken paard uit de voeten te maken, had ik er schik in. Ik wuifde, ik trok gekke bekken, ik stak mijn middenvinger naar de lens uit. Hoeveel meisjes hadden hier met protesterend zelfrespect hun slipje uitgetrokken? Meisjes uit landen die sowieso niet op de eerste rij stonden toen God welvaart uitdeelde. Meisjes die om de lieve centen dildo's daar stopten waar ze zelfs geen vinger verdragen? Om waardeloze lui als ondergetekende vetzakkerij te verschaffen? Zo voelt een veelzijdige actrice zich dus, dacht ik toen ik, op mijn beurt, mijn broek op mijn enkels liet zakken en met mijn lul begon te spelen. Stijf in geen tijd, mijn jongeheer. Uit de binnenzak van mijn jas nam ik dat bijbeltje, bladerde al rukkend, vond en las hardop uit Het Hooglied van Salomo: 'Trek mij, wij zullen u nalopen. De koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn, de oprechten hebben U lief.'

donderdag 28 augustus 2014

EEN PRACHTIGE TUINKABOUTER




Het was juni en koud en we maakten na het vrijen fietstochten in de buitenwijken van de stad. Ik zag Anima alleen maar 's zondags. Ze was weliswaar in Brussel geboren, maar Marokkaanse van origine. Rond de middag belde ze bij mij aan. Ze had altijd eten bij in een grote boodschappentas van de Colruyt. Eenmaal binnen trok ze haar schoenen uit en een keukenshort aan en begon ze groenten te snijden terwijl ik op Arté naar een klassiek concert keek. Ik hield van strijkkwartetten uit het modernisme en op zondag was er op Arté een programma over de muziek van de Tweede Weense school, muziek van Alban Berg en Anton Weber. Moeilijke, intellectualistische, niet tot dijenkletsen uitnodigende muziek. Alles wat met harmonie te maken had, leek op de helling gezet. Anima begreep niet waarom ik naar dat soort zaken luisterde. Ik zorgde er altijd voor dat de keuken proper was op zondag. Ik genoot er wel van als een vrouw voor me kookte. Het deed me aan vroeger denken, aan harmonieuzer tijden, toen ik nog getrouwd was en mijn vrouw dagelijks voor me kookte. Anima kon een beetje Nederlands, maar ze sprak meestal Frans tegen mij. Ze was vrij mollig en klein. Eerlijk gezegd, ze leek op de Venus van Willendorf. Ik vond het niet erg. Haar Nederlands was niet goed genoeg om een interessante conversatie te voeren, en mijn Frans was niet veel beter. Anima is de enige vrouw die ik ooit heb geslagen. Ik vroeg voortdurend naar haar familie. Ik was er voor beducht op een mooie dag haar broer aan mijn deur te treffen. Ze zei dat ze geen contact meer had met haar familie. Ik wilde haar graag geloven, maar vertrouwen deed ik het niet helemaal. 
 'Comment s' appelle-t-il, ton frère?' 
 'Mohamed.'
 'Et il a quelle age?'
 'Presque cinquante.'
   Ik woonde toen weliswaar in een eenkamerflat, maar de buurt waar ik na mijn studies terecht was gekomen, was vrij chique. Er was een jachthaven. Er waren 'De buren van de abdij',— een verzameling vrijwilligers die de ruïnes van een middeleeuwse abdij voor het publiek toegankelijk maakte en er tijdens de zomer concerten organiseerde met wereldmuziek op het programma. Daar had ik Anima leren kennen. Op een concert met rai-muziek. Ik speel zelf kerkorgel. Op amateurniveau weliswaar. Af en toe mag ik de eucharistieviering in de Machariuskerk opluisteren, als de vaste organist niet kan. Ik ben zelf niet gelovig, maar op de een of andere manier weet ik meer van de bijbel af dan veel gelovigen. 
   Na het eten —onveranderlijk een tanjine— gingen we op het bed liggen en wou Anima dat ik haar onder het vrijen meppen gaf op haar poep. 
 'Tu frappe comme un musicien,' zei ze. 
   Ik wist niet wat ik ervan moest denken. Het wond me niet op en het stootte mij niet af. Ik had er eigenlijk niks mee. Ik mepte en dat was dat.
   Op een zondag in juni waren Anima en ik aan het vrijen toen de bel ging. Even later zat ik met twee Jehova's aan tafel, twee muisgrijze vrouwen van middelbare leeftijd. Anima lag in bed, met de dekens tot aan haar kin opgetrokken. Zoals ik al zei, ik woonde in een eenkamerflat. Tijdens de week kreeg ik eigenlijk nooit bezoek. De Jehova-vrouwen hadden het over de eeuwige liefde Gods. Ik keek af en toe naar Anima. Ik vroeg me af of ze begreep waarover we het hadden. Ik noemde haar soms mijn muzelvrouwtje. Ze geloofde op haar manier in Allah, zei ze. Allah had mij op haar pad gezet, bien sûr. Maar had Allah ook deze christenvrouwen op haar pad gezet? En had Allah ervoor gezorgd dat ze onder het vrijen graag meppen kreeg op haar blote poep? Ze zei dat ik de ziel van een moslima niet moest proberen te begrijpen. Nou ja, de waarheid was dat het me allemaal niet veel kon schelen. Ik hield van de kleine sexbom die ze in bed was. Daarnaast was er eigenlijk niks. We gingen met elkaar naar bed zoals een ander naar de sauna gaat. En na het vrijen gingen we fietsen. Met haar korte beentjes kon ze met moeite aan de trappers. Er is een grap over Marokkanen, een beetje een racistische grap vrees ik. Nou, wat is een Marokkaan met een fiets? Ik vroeg het Anima in het Frans. Ze wist het niet. 'Een Marokkaan met een fiets is een dief,' zei ik. 'Je hebt gelijk,' zei Anima. 'Hé,' zei ik. 'C'est du connerie, c'est une blague.' 
   Ze hadden het over het laatste oordeel, die Jehova-vrouwen. Wat er zou gebeuren aan het einde der tijden. Ze sloegen hun bijbels open en citeerden uit het laatste boek. 
 'Wist je,' zei ik, 'dat men er lang heeft over getwijfeld om dat bizarre boek aan de canon toe te voegen? Zo helder als de evangelies zijn, afgezien van dat van Johannes misschien, zo vreemd is dat laatste boek.'
 'Het is het woord van God,' zei de vrouw rechts van me.
 'Het is allemaal door hem gedicteerd,' zei de vrouw links van me.
   Anima geeuwde. Ik dacht dat ze ging zeggen: 'C'est du connerie.' Maar ze geeuwde alleen maar. Ze wou allicht dat die vrouwen ophoepelden en dat ik zou doorgaan met het geven van meppen op haar poep tijdens het vrijen.
  Drie tijdschriften lieten ze achter. Drie Wachttorens. Als ik nog vragen had over God, dan kon ik altijd iemand van de Jehova's contacteren.
 'Heb jij nog vragen over God?' vroeg ik Anima. Ik vroeg het in het Frans. Ik geloof niet dat de christendame's doorhadden dat ik een beetje met hen aan het dollen was en Anima keek me aan met een gezicht van: 'Wat heb jij?'
   Nadat ik de Jehova's had buitengelaten, kroop ik weer bij Anima in bed.
 'Frappe moi,' zei ze. Ik deed het niet. Ik weet niet wat me plots bezielde, maar ik nam me voor haar nooit meer te slaan. 
 'Pas aujourd'hui,' zei ik. 
 'Pourquoi pas?'
 'C'est comme ca.'
   We gingen die zondag niet fietsen na het vrijen. Er was weliswaar zon, maar er stond een koude, schrale wind. We keken nog een beetje televisie samen en na een uurtje of zo vertrok Anima.
   Toen ik weer alleen was in mijn eenkamerflat, begon ik haar een brief te schrijven. Frans is mijn fort niet. Het werd een erg eenvoudige brief waarin ik schreef dat we elkaar beter niet meer konden zien. Ik schreef dat er een andere vrouw in mijn leven was en dat onze wekelijkse rendez-vous niet langer kon doorgaan. Mijn brief telde welgeteld één kantje. Ik heb nooit antwoord gekregen en Anima nooit meer gezien. 
   Het liep al tegen het einde van de zomer toen ik nog eens vrouw in mijn bed had. Ze heette Myriam en ze woonde in Lovendegem. Ze deed pedicure. Ze vond het werk erg boeiend. Ik begreep niet wat er erg boeiend is aan het onteelten van oude, versleten voeten, maar ik was al blij dat ze tenminste niet over haar werk zeurde. Myriam was weduwe, althans dat vertelde ze me. Ze stond er op dat ik een condoom gebruikte en toen ik met een aangebroken doos condooms aan de rand van het bed verscheen, vroeg ze me met een zure ondertoon bij wie allemaal ik die andere condooms had gebruikt. Ik dacht: 'Doe zo verder meid en ik heb helemaal geen condoom meer nodig.' Maar ik zei niks en deed mijn best het haar naar de zin te maken. Zacht en rijkelijk was haar weduwenspek, maar ze was vanonder fel behaard en dan moet ik altijd een beetje mijn weerzin overwinnen om zo'n baardkut te beffen. En het duurde verrekte lang vooraleer ze ervan leek te genieten. Ik had veel zin om haar een klap op haar kont te geven. Zoals ik bij Anima deed. 'J'espère que tu me pardonneras.' Dat waren mijn laatste woorden aan Anima geweest. Ik kon die Myriam een klap op haar kont geven en als ze dat niet leuk vond, dan kon ik me ervoor verontschuldigen. Maar ik liet het uit. Myriam leek niet de vrouw die ervan houdt tijdens het vrijen een klap op haar kont te krijgen. Ik had zo het idee dat ook haar overleden man haar nooit een klap op haar kont had gegeven.
  Ik had die Myriam een half uur liggen beffen. Ik zat onder mijn eigen spuw. Nu was het haar beurt, vond ik. Maar ze bleef gewoon op haar rug liggen. En toen zei ze iets dat alle lust in mij deed wijken. Ze zei: 'Doe nu maar je ritje.' Ik wou haar ertoe bewegen op haar knieën en haar ellebogen te gaan zitten zodat ik haar op z'n hondjes kon nemen, maar ze gaf niet mee en ik neukte haar dan maar op de mij toegestane manier. Teneinde niet voortijdig te verslappen, moest ik er mijn gedachten bijhouden en toen ik was klaargekomen en me voorzichtig terugtrok, was het condoom er niet meer. Het condoom was in haar vagina achtergebleven.
 'Verdomme toch,' zei ze.
 'Sorry,' zei ik.
 'Ga van me af,' zei Myriam.
 'Oké,' zei ik.
   Hoe ze zich ook inspande en met haar vingers diep in haar eigen kut tastte, ze vond de condoom niet. 
 'Laat mij even,' zei ik.
 'Jij blijft met je poten van me af,' zei ze.
 'Héhé,' zei ik.
    Myriam was de vrouw die met condoom en al uit mijn leven verdween. Ik was er niet rouwig om.
   In de herfst vond ik werk als koerier. Ik moest medicijnen naar apothekers brengen. Mijn ronde was in Wallonië en ik moest elke werkdag om halfvier opstaan. De eerste weken luisterde ik onder het rijden naar de radio, maar ik werd horendol van de reclameblokken en de commerciële shit die ze voortdurend draaiden. Ook de zenders met klassieke muziek vond ik op den duur ongenietbaar vanwege het elitaire geneuzel waarmee een pianoconcert of een aria wordt ingeleid. Ik downloade audioboeken op mijn IPod. 'Portrait of a artist as a young man,' was het eerste boek dat ik beluisterde. De tekst werd gebracht door een bekend acteur, ik ben vergeten wie, een Ier die ooit James Bond speelde. Daarna beluisterde ik enkele toneelstukken van Shakespeare. Als ik bij een apotheker kwam waar ik medicijnen te leveren had, duwde ik op de pauzeknop. Eerlijk gezegd, van dat moeilijke Engels begreep ik slechts een fractie, maar wat ik begreep vond ik erg de moeite. 
   Het werk was eenvoudig, maar ondankbaar. Apothekers staan de klant vriendelijk te woord, maar keuren de koerier die de medicijnen brengt geen blik waardig. Eigenlijk zijn apothekers omhooggevallen kruideniers. Er was een apothekeres uit Yvonne-sur-Meuse die altijd iets op te merken had. Wat ik ook deed, het was nooit goed. Ofwel was ik te laat, ofwel was ik te vroeg. Zoals ik al zei, Frans is mijn fort niet. Ik kon me niet verdedigen. 'Espece de conne,' zei ze op een keer. Ik stapte op haar af. Ik ging recht tegenover haar staan.
 'Pardon?' zei ik.
   Ze hield haar klep, maar 's anderendaags moest ik na mijn ronde op kantoor verschijnen en kreeg ik mijn ontslag. Die nacht reed ik met mijn eigen wagen naar Yvonne-sur-Meuse. Het dorp sliep. Ook overdag leek het dorp te slapen. De rolluiken van de apotheek waren dicht. Uit het handschoenkastje nam ik de spuitbus met zwarte verf, maar op het laatste nippertje bedacht ik me en reed weer naar huis. Ik luisterde op mijn IPod naar de eerste hoofdstukken van 'Cather in the rye' van Salinger en was blij dat ik niet had toegegeven aan mijn vernielzucht.
   Ik was weer werkeloos en kreeg de eindjes maar moeilijk aan elkaar. In de namiddag ging ik op het orgel in de Machariuskerk oefenen. Fantasieën van Frescobaldi. 's Woensdags dweilden twee kloosterzusters de kerk en oefende ik een nogal hooggegrepen fuga van J.S. Bach. Hoe ik ook klungelde, de kloosterzusters vonden het prachtig. 
 

woensdag 27 augustus 2014

DE EENZIJDIGHEID VAN HET LEVEN




Sam vertelde me over een vrouw die hij onlangs had leren kennen. We zaten in de Rib a way, een eethuis aan het Zuid dat ook 's avonds laat en 's nachts ribbetjes à volonté op het menue heeft en waar ik soms kom als ik niet voor mezelf kan koken.
 'Het gekke is,' zei Sam, 'ze was niet dik.'
   Sam is een beetje een platte jongen. Hij is een prima collega, maar verfijnd is hij allerminst.
 'Ze was niet dik?' zei ik.
 'Nou ja,' zei hij, 'ze was ook niet slank en ze was dat waarschijnlijk nooit geweest. Ook niet als kind. Een kloek meisje met stevige kuiten, weet je wel. Een meid die in haar jeugd aan roeien doet of aan judo. Maar dik, nee dik was ze niet.'
   Ik greep naar een servet en veegde mijn mond en mijn vingers af. 
 'Had ze dan dik moeten zijn, Sam?'
 'Ze at als een paard,' zei hij.
 'O ja?' 
   Hij keek me grijnzend aan. Ik bracht een stuk varkensrib naar mijn mond en begon er aan te peuzelen. De Rib a way is een eethuis waar er 's avonds laat ook mag worden gerookt. Als de kans op controle van een overijverig overheidsambtenaartje verwaarloosbaar is. Maar je krijgt pas een asbak als je een euro in een plastic spaarvarken stopt. Is er onverhoopt toch controle, dan wordt de boete betaald met wat er in dat spaarvarken steekt. Er wordt gefluisterd dat de plaatselijke maffia de tent runt en dat niet zozeer spareribs maar drugs de core business vormen, maar ondanks het feit dat ik er geregeld kom, heb ik nog nooit iets van die aard gezien. 
   Met Sam over vrouwen praten —en hij praatte alleen maar over vrouwen— was altijd een beproeving. Niet omdat ik erg verfijnd ben, verre van, maar in vergelijking met Sam... Nou ja, in vergelijking met Sam ben ik dat wel en het leek er hem altijd om te doen mij zoveel mogelijk te schofferen.
 'Wist je dat paarden niet kunnen braken?' vroeg Sam.
 'Christus man, ik ben aan het eten. Kunnen we even?'
   Sam tuitte zijn onderlip en blies de rook naar de luchter boven ons tafeltje waaruit gedempt licht viel.
 'Nou, volgens mij kon dat mens ook niet braken.'
 'Oké Sam,' zei ik. 'Geweldigk interessant.'
 'Als ik had gegeten wat dat mens allemaal in d'r mond stak, nou dan was ik nu nóg  aan het braken.'
   Ik gooide mijn servet in mijn bord.
 'Klaar,' zei ik. 'Heel erg bedankt, Sam.'
 'Nadine,' zei Sam. 'Zo heette ze.'
   Ik had best nog zo'n portie gegrilde varkensribbetjes kunnen hebben. Ze maakten ze in de Rib a way klaar met honing. Lekker crispy. Maar als er iemand aan dezelfde met wit linnen bedekte tafel het woord braken tot drie keer toe in de mond neemt, dan is het ook voor mij over.
 'Vind je dat die naam past?' vroeg Sam.
 'Past waarbij?'
 'Bij iemand die walgelijk veel eet?'
 'Weet ik veel,' zei ik. 
   Met het puntje van mijn tong probeerde ik een reepje varkensvlees van tussen twee kiezen te peuteren. Ik wou de kelner roepen, maar toen bemerkte ik naast het peper- en zoutvat ook een stenen potje met tandenstokers. Het kon me niet schelen of mijn collega dat nou vies vond of niet, maar ik prikte het stukje vlees van tussen mijn tanden en vooraleer het weg te slikken, bestudeerde ik het een hele tijd.
 'Nou, ook al was die Nadine zelf niet wat je noemt moddervet, verre van zelfs, toch is voor mij iedere Nadine een dikke vrouw sindsdien. Kun je dat geloven?'
   Ik zei niks. Ik dacht: het smeuïgste moet vast nog komen, Sam kennende. Maar er kwam niks.
 'Kun je dat geloven?' zei hij nog een keer.
   Mijn gebit was weer helemaal schoon, maar ik bleef met die tandenstoker op zoek naar etensresten. Heel even keek ik hem aan met zo'n afwezige blik dat hij nogmaals had kunnen vragen of ik dat kon geloven zonder antwoord op zijn vraag te krijgen. Hij grijnsde nog altijd.
 'En behalve walgelijk veel voedsel tot zich nemen,' zei ik, 'wat deed die Nadine nog meer?' 
 'Geen idee,' zei Sam.
 'Hoezo, geen idee?'
 'Ik was niet echt benieuwd naar wat ze nog meer deed,' zei Sam. 'In de bioscoop diepte ze een halve kilo gehakt uit haar handtas op en de hele film lang lag dat pak rauw vlees tussen ons in. Ze zei: "Neem gerust, als je zin hebt, ik heb nog meer." Af en toe graaide ze met haar blote vingers in dat pak en vooraleer ze een homp gehakt in haar mond stak, rolde ze het tot een balletje, als bij de soep. Hou je dat voor mogelijk? Wie weet had ze in d'r handtas ook nog een stuk rund of zo? Na de film gingen we koffie drinken. Ze nam er een dubbele portie taart bij. Warme appeltaart met slagroom en ijs. Het liep tegen elf uur in de avond. Welk normaal mens neemt dan nog taart? Weet jij het? En ze praatte ook de hele tijd over vreten. Ze had het over ingemaakte groenten, over vette vis die ze in de vismijn te Oostende kocht, over ossenvet —reuzel— waarin ze frieten bakte, over éclairs, verloren brood, verschillende soorten pasta's, vol au vent, kippenworsten, ontbijtgranen, eendenlever, pizza's. Noem wat en ze had het erover. Ze woont boven een patisserie, moet je rekenen. Nee, ik was niet benieuwd naar wat ze nog allemaal meer deed. Je met rauw gehakt in de bioscoop volproppen, volstaat voor mij. Dan heb ik het plaatje helemaal gezien.'
   Ik geloofde niet alles wat Sam me probeerde wijs te maken. Ik bedoel dat in het algemeen. Niet alleen wat hij over die Nadine en haar vreetlust vertelde nam ik met een korrel zout, ook wat hij op de weg meemaakte was meestal zodanig van de pot gerukt dat je het eigenlijk nooit helemaal ernstig kon nemen. Hij kreeg altijd de gekste klanten. Je kon qua taxiverhalen nooit tegen hem op. Hij had het allemaal bruiner meegemaakt. Misschien was die Nadine —als ze al zo heette?— een diabetespatiënte en moest ze wel geregeld voedsel tot zich nemen en had Sam het allemaal wat opgeschroefd? Maar vreemd genoeg kocht ik wekenlang geen gehakt meer in de supermarkt. Als ik er nog maar aan dacht, zag ik op de armleuning van een bioscoopzetel een homp rauw vlees liggen en nu eens kleurde dat vlees in mijn gedachten rood, dan weer blauw, of zelfs groen, al naar gelang het licht op het scherm. Af en toe vroeg ik hem of hij haar nog had teruggezien, zijn gehaktvrouw. Al na een paar keer antwoordde hij niet meer op mijn vraag en beschouwde hij het als gejen onder collega's, iets waarvan hij evenmin vies was. 
   Hoe ze er nou had uitgezien, Nadine, behalve dat ze noch dik was noch slank, kwam ik van Sam niet te weten. 
   Tot op een avond. 
   Het liep al tegen het einde van de zomer en die avond deden ze me met een busje rijden en ik had geen zin om te discussiëren. Ik nam de sleutel van de Vito en liep foeterend de hangar in. Het laatste licht van de dag viel door de plastic golfplaten waaronder een koppel duiven koerden. Stomme beesten die uitgerekend daar hun nest hadden gemaakt. 
   Het was zondag en de Gantoise speelde zijn eerste thuiswedstrijd van het seizoen. Busjes zijn bedoeld voor groepen. Ik heb het niet zo op groepen begrepen. En al helemaal niet op voetbalsupporters. Een tafelgesprek lukt niet als je met meer dan zes bent. Dat is bewezen. Psychologisch en zo. Dan valt het gesprek uiteen in afzonderlijke gesprekjes. Het ene gesprek stoort het andere. Nou, dan kun je net zo goed apart gaan zitten, aan afzonderlijke tafels. Dan is een grote ronde tafel een maat voor niks. De gezelligheid is weg en iedereen vraagt zich af of ook de andere gesprekken stomvervelend zijn. Met meer dan zes aan een tafel is geen goed idee. Net zo in een taxi. Normaliter lieten ze me nooit met een busje rijden, maar die avond dus wel.
   Mijn eerste klant die avond was een bejaarde man die ik wel vaker naar een zorgcentrum buiten de stad bracht, maar nooit eerder met een busje. Op eigen kracht raakte de oude man niet in de taxi, dus moest ik hem bij het instappen een beetje optillen en hem dan met mijn heup een zetje geven. Hoe oud hij precies was, wist ik niet, maar hij was vast in de tachtig. In ieder geval was hij broos. Broos als een koekje. Ik wist ook dat hij zo goed als doof was, dus toen ik hem vroeg waar hij heen wilde, zette ik een luide bek op. De man greep met zijn linkerhand naar mijn knie en met zijn rechterhand probeerde hij zijn oorschelp te bedekken waarin, niet eerder dan enkele dagen, een hoorapparaat stak.
 'Oeps,' zei ik.
   Ook zijn stem was door ouderdom fragiel geworden, maar thans, zo zei hij, kon hij dankzij dat hoorapparaat opnieuw zichzelf horen praten en had hij het gevoel dat hij, zoals ik daarnet, steevast veel te luid praatte, waardoor hij van de weeromstuit te zacht praatte en de mensen hém niet konden horen in plaats van andersom. 
 'Valt wel mee hoor,' zei ik. 'Ik hoor je prima.'
   Om de een of andere reden kreeg je in de taxi van oude mensen altijd een medische update. Gratis en voor niks. Alsof op het voorhoofd van een taxichauffeur in grote letters geschreven staat: zaag maar tegen mij, ik krijg ervoor betaald.
   Ook uitstappen kon niet op eigen kracht en toen ik hem met zijn beide voeten op de grond had, was het uitgesloten dat ik dit grootvadertje aan zijn lot zou overlaten, dus stapte ik met hem mee naar de ingang van het zorgcentrum. Hij leunde danig op mijn arm en we kwamen maar moeizaam vooruit. Misschien vocht deze oude man een halve eeuw geleden in de jungle van Korea, of in Congo? Misschien had hij vroeger een bloeiende zaak gehad? En moest je hem nu zien! Een verpleegster met een rolstoel nam het van mij over. Meneer Kamiel was weer in zijn laatste thuis. 
   Toen ik opnieuw achter het stuur zat, merkte ik dat de meter nog liep. Er was wat tijd overheen gegaan en de rekening klopte niet, ik kwam twee euro en veertig cent tekort. Nou, die moest ik dus uit eigen zak betalen. Zie je wel, dacht ik. Niks dan ellende heb je met zo'n busje. Met een gewone taxi zou me dat nooit overkomen zijn.
   Ook het rijden door nauwe, middeleeuwse steegjes viel niet mee. Je moest verdomd goed uit je doppen kijken, je reed er zo een spiegel af. 
   Ik reed de nachtshift. Van halfacht 's avonds tot halfzes 's morgens. Tien uur waarvan we er naar de letter van de wet twee voor onszelf hadden. Ook Sam reed de nachtshift. Geen enkele taxichauffeur nam twee uur pauze. Het was weliswaar je recht om niet meer dan acht uur achter het stuur te zitten, maar het werd niet op prijs gesteld als je dat recht ook opeiste. En normaliter had je aan een uurtje pauze genoeg. Je at een sandwich, je dronk een koffie en je ging weer de baan op. Maar omdat ze me die avond met een busje hadden doen rijden en omdat ik daar vreselijk de pest in heb, nam ik me voor in de Rib a way uitgebreid lunch te nemen.
   Ik was aan mijn tweede portie varkensribbetjes toe toen er aan het belendende tafeltje een vrouw van een jaar of veertig kwam zitten. Een vrouw in haar eentje, niet dik, niet slank, niet lelijk, maar ook geen uitgesproken schoonheid. Een vrouw waarvan een provinciestad als Gent er aan iedere vinger tien heeft, bij wijze van spreken. Het enige wat aan haar opviel, was de gelukzaligheid waarmee ze op haar schotel zat te wachten. Ze schikte en herschikte het bestek. Ze nipte ongedurig van haar drankje. Ik knikte vriendelijk gedag toen onze blikken elkaar toevallig ontmoetten en mijn intuïtie zei me: dit is Nadine. 
   Ik heb er geen ander dan een goedkoop woord voor, maar ze keek me verlekkerd aan, op het gulzige af. Ik bedoel: het was alsof ze alvast mijn portie varkensribbetjes wou, in afwachting. En toen ze haar schotel kreeg, tastte ze met zoveel apetijt toe dat ik het wel zeker wist. Nadine. Dit moest Nadine zijn. Nooit eerder een vrouw met zoveel smaak, met zoveel overgave zien eten. Ze vroeg drie, vier keer om extra brood en haar glas moest voortdurend worden bijgevuld. Zoals ik al zei: in de Rib a way kom ik wel vaker. Door de ramen van het etablissement zie je de neonverlichting van de rosse buurt. Het is er bepaald troosteloos, maar dat,maakt er het eten net lekkerder op.
   Mijn lunchpauze liep zo zoetjesaan teneinde. Twee uur lang had ik varkensribbetjes gehad, met naast me een vrouw wier opdracht het leek zich in de vernieling te vreten. Ik zat helemaal vol. Nadine was aan haar vierde portie toe. Eén portie is al een hele berg vlees moet je weten.
   Vanaf mijn dertigste ben ik beginnen aankomen. Niet dat ik dik ben, maar ik zie er niet uit alsof ik veel aan sport doe. Ook yoga zou niet meer lukken. Ik zie er uit als een man van vijftig die zich nooit veel om zijn uiterlijk heeft bekommerd. En daar zat ik dus, in een ordinaire eettent aan het Zuid, taxichauffeur van beroep. 
   Het koekje bij de koffie liet ik onaangeroerd. Ik kon niet meer. Nadine —of wie ze ook mocht wezen— leek met eten verre van klaar. Ze smikkelde lustig verder en depte af en toe met een servet haar mondhoeken.
 'Mag ik je iets vragen?' zei ze.
 'Ja, tuurlijk,' zei ik.
   Ze wees naar het logo van het taxibedrijf op de boord van mijn hemd.
 'City-tax?' vroeg ze.
 'Ja, inderdaad,' zei ik. 
 'Goh,' deed ze. Het was alsof dat antwoord haar zielsgelukkig maakte. Ze keek me stralend aan en ik veronderstelde dat ik met mijn antwoord Sam heel even dichterbij had gebracht. Ze vroeg of ik haar naar huis kon brengen, straks, als ze klaar was met eten. 
 'Graag,' zei ik. 'Geen enkel probleem.'
   Mijn pauze zat er op, maar als ik meteen een klant had, kon ik nog wel een kwartiertje.
   Ik bracht haar een half uur later naar huis, niet nadat ik haar voorzichtig had aangemaand wat haast te maken. Ze woonde in Mariakerke, in de Hippoliet Penemanslaan. Onder het rijden had ze het over haar buren die onlangs een barbecue hadden georganiseerd waarop ze uitgenodigd was geweest. Ze had kreeft gehad, lamsvlees, worsten, quish, allerlei salades. Rode en witte wijn en daarna mojito's, wel een stuk of zes. 
   Ik knikte. Het was zondag. Het regende. 
   
    
  
 





NIEUWE GORDIJNEN




Dominique wou nieuwe gordijnen. We waren nog maar net gaan samenwonen. Ik was bij haar ingetrokken. Ze woonde in Nieuw Park, een nogal troosteloze buurt een heel eind van het historisch centrum waar ik eertijds woonde. In een flat, zeventien hoog. Ik had gezworen nooit nog samen met een vrouw een flat te delen, om redenen die geen uitleg behoeven, maar toen de eigenaar van mijn huurflat het pand zou verkopen en ik naar een nieuw onderkomen moest uitkijken, leek het het makkelijkst om bij haar in te trekken, al was het maar tijdelijk. 
 'Wat is er mis met deze gordijnen?' vroeg ik.
   Iedere avond, als het televisiejournaal begon, sloot ze de gordijnen, ook als er nog licht was, zoals die dag. Lichtbruin, met silhouetten van dansende figuren uit fijnmazeriger stof waardoorheen het zonlicht viel als de zon scheen. Ik zat met een biertje en de krant in de lange sofa. God, wat hield ik er van me op die sofa tijdens de middag uit te strekken en een dutje te doen. Waar ik vroeger woonde, had ik alleen een eenmanszetel. Als ik in slaap viel in die eenmanszetel, dan werd ik geradbraakt wakker, alsof ik tien uur achter het stuur had gezeten.
   Dominique kwam naast me zitten, pakte het halfvolle blikje uit mijn hand en nam een slok. Daarna tastte ze naar het pakje sigaretten op de salontafel en stak er twee op. Terwijl ze mij een sigaret gaf, schoof ze haar benen onder haar zitvlak en kwam tegen me aanleunen.
 'Weet niet,' zei ze.
   We waren allebei jonge vijftigers en we kenden elkaar pas een half jaar, maar we hadden al ons eigen, particuliere taaltje. Als er iets scheelde dan sloeg Dominique een kinderlijk toontje aan. 
 'Mijn meisje weet 't niet,' zei ik, 'maar wil toch andere gordijnen?'
   Ik had het misschien net iets te spottend gezegd? Ze keek me een tel gekwetst aan. Ik trok van mijn sigaret en bracht daarna mijn biertje naar mijn mond, maar ze was me voor, ze graaide het blikje uit mijn hand en dronk het in één teug leeg.
 'Dat is flink,' zei ik. 
   Weer dat toontje. Ik kon er niets aan doen.
 'Weet je,' zei ze, 'vóór jou leefde ik hier ook al.'
   Een van de redenen waarom ik had gezworen nooit nog met iemand samen te wonen, was dat je dan bent veroordeeld tot het voeren van dat soort gesprekken waarin, altijd weer door de vrouw, aan zaken wordt herinnerd waar niemand nog iets kan aan veranderen en die bijgevolg geen redelijk argument vormen, alleen maar emotionele chantage. Alsof het mijn schuld was dat ze hier in deze buurt was komen wonen, jaren terug. Alsof ze alleen maar door mijn toedoen...
 'Dat weet ik toch, zoet,' zei ik.
 'Dat weet jij niet,' zei ze.
   Natuurlijk wist ik dat en wist ik dat tegelijk niet. Ik had Patrick nooit gekend of zelfs maar ontmoet, haar ex had nagenoeg iedereen kunnen zijn. Toen ik op het toneel verscheen, was hij al definitief uit haar leven verdwenen. Maar dat hij hier, in deze lange sofa net als ik met een biertje en de krant had gezeten, vele, vele avonden, dat wist ik wel, dat was zonneklaar.
 'Misschien moet je de gordijnen niet sluiten als er buiten nog licht is?' zei ik. 'Dat is een gekke gewoonte van je, weet je dat?' 
   Daarna ging het snel. Dominique veerde recht en enkele furieuze seconden later had ze de gordijnen uit de ringen gesleurd, ze had er zelfs wat stukwerk bij vernield.
 'Jezus,' zei ik. 'Wat was dat?'
   Ze keek me hoogrood aan, haar onderlip beefde en toen kwamen de tranen. Ik ging bij haar staan en omhelsde haar.
 'Al goed,' zei ik. 'Rustig maar.'
   Het laatste licht van wat een mooie dag was geweest, stroomde binnen. Het was misschien zonde van de gordijnen, maar niet van dat licht. Waarom ze altijd rond de klok van zeven de gordijnen dicht wou, was me eerlijk gezegd een raadsel. Het uitzicht was verademend. Andere woonblokken, al net zo troosteloos als die waarin wij een flat betrokken, maar toch. Ruimte.
 'Nu moet je wel nieuwe gordijnen,' zei ik glimlachend en ook zij begon te lachen, Dominique.
   We keken televisie die avond, allebei lui in de lange sofa hangend. De rust was na het voorval met de gordijnen teruggekeerd. Dominique had zo van die buien. Gelukkig duurden ze nooit lang. Ik had geleerd niet meteen het ergste te denken, of zelf te flippen. 
   De grote schemerlamp bij de boekenkast brandde de hele dag door. Toen het helemaal donker was buiten, zag ik ons spiegelbeeld in het raam zonder gordijnen. Ik zat met mijn rug tegen de rand van de sofa. Dominique lag met haar hoofd op mijn bil. Ik meende dat dit de eerste keer was dat ik ons tezamen in een spiegel zag. Tot vóór zes maanden kende ik haar niet eens en zat ik in mijn eentje in een flat en probeerde ik Heidegger te lezen 's avonds. Ik streelde onder het televisiekijken haar voorhoofd, maar eigenlijk keek ik meer naar waar er tot voor enkele uren gordijnen hingen en waar ik nu mezelf zag zitten. Net een aquarium, dacht ik. We woonden hoog, zoals ik al zei, de zeventiende verdieping. Het woonblok dat uitkeek op dat van ons lag een voetbalveld verder. Waar er licht brandde, kon je af en toe iets zien bewegen, maar met het blote oog viel niet te zien wat er precies in die appartementen gebeurde. Nou ja, wat doen mensen zoal in een flat? Dat dacht ik. Ze lopen naar de koelkast en ze komen terug met een potje chocoladepudding. Ze lezen de krant, zitten achter een computer te gamen, staan te strijken.
 'Misschien moeten we het licht uitdoen?' zei Dominique. Alsof ze mijn gedachten kon raden.
 'Op die afstand zie je niks,' zei ik. 'Maar als je wil dan doe ik het licht uit en dan kijken we in het donker verder televisie.'
 'Lief van je,' zei ze.
   Ik kwam terug met een biertje. We deelden altijd een biertje. Nog zoiets waaraan ik had moeten wennen. Ik ging zitten. Dominique legde haar hoofd weer in mijn schoot. Op de televisie was er een verkiezingsprogramma met de kopstukken van de verschillende politieke partijen. Iedereen zei zo'n beetje wat iedereen al lang wist en waarmee niemand het eens was. Ik keek weer naar het gordijnloze raam en nam een slok. Nu ik mijn biertjes met mijn vriendin had te delen, telde ik ze niet meer en werden ze niet meer door mijn vriendin geteld. Dat vond ik dan weer prima.
 'Niet doen,' zei Dominique toen ik het koude blikje tot bij haar wang bracht. 'Ik hoef niet, dank je.'
   Het kopstuk van de liberale partij, een witharige man met een blauwe das, zei iets over het beperken in de tijd van de werkeloosheidsuitkering en ik zei iets in de trant van fuck of. Het ontviel me, ik had er niet bij nagedacht.
 'Kun je dat soort gratuite commentaar voortaan voor jezelf houden?' zei Dominique. 'Alsjeblief?'
   Ik herinnerde me niet ooit over politiek te hebben gepraat met haar. Ik ging er van uit dat ze net als ik het hart op de juiste plek had en op de socialistische partij stemde. 
 'Je bedoelt?' zei ik, maar ik maakte mijn zin niet af. Ik nam nog een slok. Dominique reageerde niet. Ja, dat bedoelde ze misschien. Dat ze er geen moeite mee had om iemand die reeds aan de grond zit nog wat dieper te stampen.
 'Nou nou,' zei ik.
 'Wat, nou nou?' zei Dominique.
 'Hé, is er niet wat anders op tv?' zei ik. Ze reageerde niet. We bleven naar dat stomme politieke programma kijken. Ik heb de hebbelijkheid om te denken in iemand zijn of haar plaats. Dat deed ik die avond ook. In mijn verbeelding zei Dominique dit: 'Jij denkt dat het die lui van de liberale partij alleen maar om winst is te doen, eigen profijt en zo, de betere klasse nog beter maken, maar heb je er al eens bij stilgestaan dat je mensen in de armoede houdt net omdát ze een uitkering krijgen en dus weinig moeite doen om hun levensomstandigheden te verbeteren?' En ik reageerde daarop, in mijn verbeelding, met dit: 'Je bedoelt dat liberalen eigenlijk socialisten zijn? Of wat?' Zij weer: 'Nee, dat bedoel ik niet. Er gaat een gans andere maatschappijvisie achter schuil. Mensen maak je niet weerbaar door maandelijks hun huur en hun ziektekosten op te hoesten, weet je?' Enzoverder. In mijn verbeelding dus. Dominique had geen woord meer gezegd en ik zat daar maar in het donker naar de verlichte appartementen te kijken verderop. Ook daar zaten vast stelletjes in de sofa naar dat stomme programma te kijken. 
   Ik begon opnieuw haar voorhoofd te strelen, haar slapen. Ik liet mijn vingers door haar zachte, kastanjebruine haar glijden. Ik betastte met de toppen van mijn vingers haar hals en daarna bevoelde ik het door haar sleutelbeen gevormde dalletje onder haar schouder en zakte verder en legde tenslotte mijn hand op haar borst waar hij roerloos bleef liggen. Dominique had prachtige borsten en dat wist ze. In de badkamerspiegel kon ze haar borsten lang staan monsteren en ze vond het niet vervelend als ik in het deurgat bleef staan kijken terwijl ze met een trotse blik haar borsten bekeek. Ze genoot er van als ik daar gebiologeerd stond te kijken naar wat ook haar goedkeuring wegdroeg. Ze zei nooit zaken als: 'Vind je mijn borsten teveel hangen? Te dik? Teveel op peren lijken?' Al die vervelende dingen liet ze uit. Bovendien waren haar borsten niet te si of te la. Er schemerden geen aders door. Er zaten geen rode vlekken op. Haar tepelhoven waaierden niet onmogelijk breed uit, maar leken netjes aangeharkt in volmaakt, gebronzeerde cirkels van delicaat kippenvelvlees. Haar tepels zelf waren donkerroze, niet te groot, niet te klein. Ik had haar tepels eens vergeleken met de snoetjes van heel erg kleine biggen, zo schattig. Ze veerden op als ik er met het puntje van mijn tong aan likte. Ze hield er wel van als ik dat soort malle zaken zei. Haar borsten waren niet de borsten van een zestienjarige, nee. Dominique had de borsten die bij haar leeftijd pasten, helemaal volmaakt naar mijn gevoel. Rijp, adembenemend vol. Soms zei ik: 'Je hebt Griekse borsten.' Wat ik daarmee bedoelde, wist ik zelf niet, maar het klonk prettig, klassiek en zo. Of ik zei: 'Ik voel mij Michelangelo als ik aan je borsten zit.' Iedere avond wilde ik in bed haar borsten betasten. Ze waren groot en mals.  Ze waren niet te groot en ze waren ook niet verpapt. Mijn hand liep als een beker over als ik ze helemaal wou omvatten. Ik kreeg er maar niet genoeg van. Of er nou seks van kwam of niet, iedere avond wou ik in bed, vooraleer te slapen, haar borsten voelen, ongeveer zoals een kind, voor het slapen, nog een tijdje het licht aan wil hebben. We waren al zo ver met elkaar dat ze wist wanneer ik haar borsten betastte louter om de lekkere textuur, louter om het betasten zelf, en wanneer ik meer wou, wanneer ik aanstuurde op vrijen. 'Je bent een kind, weet je dat?' had ze eens lachend gezegd. Het zal waarschijnlijk de eerste keer zijn geweest dat ze begreep dat het me om niet meer was te doen dan louter voelen. 'Werelderfgoed,' had ik eens over haar borsten gezegd. 
   In de palm van mijn hand voelde ik haar tepel door de stof van haar slaapkleed heen. Ik hield ervan als ze zonder BH door de kamer banjerde. Mals als olie, dansend als derwisj, haar borsten. God, wat was ik er dol op. Mijn hand bleef roerloos liggen. Ze ademde rustig en ik kon haar hartslag voelen. Aan het woord was de partijvoorzitter van de linksen. Ook een hoop clichés.
 'Op wie ga jij stemmen, zondag?' vroeg Dominique.
 'Ik ga op je borsten stemmen,' zei ik. Het was flauw. Ik wist het meteen. Meestal had ik meer inspiratie als ik aan haar borsten zat.
 'Serieus,' zei ze. Het klonk niet als een vraag. Ik zei dat ik misschien wel eens voor de liberalen ging stemmen.
 'Voor die vriendjes van je,' voegde ik er aan toe. 'Aangezien zij de heuse socialisten zijn.' Ik had meteen spijt dat ik dat had gezegd. Mijn hand lag niet langer roerloos op haar borst, maar eerder verkrampt. Wat ik voelde was, geloof ik, eenvoud, eenvoud die me ontglipte.
 'Waarom zeg je dat nou?' vroeg Dominique. Ze nam mijn hand en duwde die van zich weg. Ze ging op haar elleboog steunen en probeerde me aan te kijken. Het was donker in de woonkamer en ook haar blik was van een donkere vijandigheid.
 'Wat heb jij?' vroeg ze geërgerd.
   Het politieke programma was ten einde. Ik dacht dat mijn opmerking over die vermeende vriendjes van haar zou verdampen zodra er een ander programma begon, maar ik had het mis en toen ik bleef zwijgen, ergerde haar dat nog meer. In mijn verbeelding zei ik dit: 'Sorry, je hebt gelijk, dat was flauw van me.' En zij zei: 'Ja, dat was inderdaad flauw, wat heb je toch?' En ik zei nogmaals sorry en toen ging ze weer met haar hoofd in mijn schoot liggen en zocht mijn hand weer haar zachte boezem. Maar het pakte anders uit. Ze ging rechtop zitten. Het laatavondjournaal begon. Ook daar haast uitsluitend binnenlandse politiek, dezelfde koppen, dezelfde promopraat. Weer dat kamerlid met het witte haar en de blauwe das. De verkiezingen zaten er duidelijk aan te komen, mijn hoeveelste al? Dominique liep naar de keuken en maakte het grote licht aan. Ik zag me in mijn eentje zitten in het tot spiegel getransformeerde raam, scherper dan voorheen. Ik haatte dat grote licht. Zelf deed ik het nooit aan. Met alleen maar de schemerlamp bij de boekenkast, zag je ook 's avonds genoeg en lukte het aardig de krant te lezen. In mijn verbeelding liep ik haar achterna. Ik greep haar vanachter bij haar heupen stevig vast. Ze spartelde tegen, draaide zich om en sloeg een paar keer met een slap vuistje tegen mijn bovenarm, boos maar niet voor altijd, kwaad maar met een bezorgd hart over wat me nu precies dwarszat. Waarna we elkaar wild begonnen te zoenen en elkaar de kleren van het lijf rukten, ongeveer zoals zij die avond in een moment van blinde woede de gordijnen van de ringen had gerukt, omdat die gordijnen haar te veel aan het verleden deden denken. In mijn verbeelding dus. Ik bleef daar een tijdje in mijn eentje zitten kijken naar mijn spiegelbeeld. Op die manier vijftig jaar zijn, daar was eigenlijk ook niks aan. Dominique kwam niet meer terug uit de keuken en toen ook ik naar bed ging, sliep ze, of deed alsof. Haar borsten liet ik die nacht onaangeraakt en ook dat was de eerste keer sedert we het bed deelden. Ik sliep na een kwartiertje in, maar amper een uurtje later lag ik wakker. Ik stapte uit bed en rookte een sigaret in de woonkamer. Geen enkel licht in het woonblok aan de overzijde. Als ik aan mijn sigaret trok, zag ik de askegel opgloeien en een stuk van mijn gezicht in het raam verschijnen met daarachter alleen maar donkerte. En daarna zag ik het langzaam doven.

DE WEDUWNAAR






Hij was weduwnaar, woonde in een bos en had keelkanker. Rita bezocht hem twee tot drie keer in de week. Haar man, Daniël, had met tegenzin ingestemd met het vrijwilligerswerk dat ze wou gaan doen. Eigenlijk vond hij het een belediging voor de bezoldigde arbeid die hij al jaren tegen zijn zin deed, maar hij zei dat het niet goed was als ze nog met kankerpatiënten in contact kwam, net nu ze zelf genezen was verklaard. De kinderen waren bijna het huis uit. Tweehonderd en vijf dagen scheidden hem van zijn pensioen. Dat was niet zo heel erg veel meer, maar sinds hij de resterende dagen afvinkte, verliep de tijd nog trager. 
 'Ik wil me weer nuttig voelen,' had Rita gezegd.  
   Waarom willen vrouwen altijd iets voelen? Hij bladerde af en toe in de magazines die Rita kocht als ze het lottoformulier binnenbracht. Een artikel met de ronkende titel Ik wou mij weer vrouw voelen las hij helemaal uit, maar hij was teleurgesteld omdat het niet over ruige seks ging. Het was hem ook een raadsel hoe zij zich nuttig kon voelen bij iemand die over enkele maanden de pijp uit was.
 'En hoezo, hij woont in een bos?' 

Mijn pa is Daniël en mama heet ook in het echt Rita. We moeten een taak maken voor Simons van Nederlands. Iets over vertelperspectieven. De alwetende verteller, het auctioriale vertelperspectief. Die zever, weet je wel. Een voorbeeld? Mijn pa, Daniël, is echt wel een uitgebluste spoorwegarbeider. Hij wordt er over een jaartje vijfenvijftig en dan mag hij met brugpensioen. Kan nauwelijks wachten. Mijn ma heeft kanker. Of liever, mijn ma heeft kanker gehad. Ongeveer zoals ze vijf jaar geleden ook al eens kanker heeft gehad en volledig genezen werd verklaard en dan plots, tegen alle voorspellingen in, toch herviel. Die shit, weet je wel. Echt sneu voor mama. Maar nu is ze dus opnieuw kankervrij. En dat vrijwilligerswerk van haar, dat is ook naar waarheid. De weduwnaar met keelkanker heet Tibeau. Ik denk dat hij een jaar of vijfenzestig is, zeventig misschien. Zo geel als maïs. Joekel van een neus. In een bos wonen, doet ie ook. Ik heb nog een oudere zus, Mia. Haar lief, Lode, kan ik niet uitstaan. Ze hadden al getrouwd moeten zijn, maar met mama's ziekte wordt de trouwpartij steeds uitgesteld. Kan ik in komen. Maar misschien dat het nu snel kan gaan? Ze praten al van grond kopen en bouwen en ze neuken volgens mij de vrijdagavond onder het ouderlijke dak. 
 'Hoezo, hij woont in een bos?' vroeg papa dus. Dat heeft ie echt zo gevraagd. Hij zat aan de keukentafel een sigaret te roken. Mag hij niet meer. Ik bedoel, hij mag niet meer in huis roken. Maar het regende buiten, of het woei erg hard. En dan is buiten roken onmogelijk, vindt hij. Ik geloof dat hij jaloers is. Nou ja, ik weet het wel zeker. Hij krijgt zo'n beetje een verbeten trek rond zijn neus als hij zich gepasseerd voelt. Jaloers waarop? Op een terminale bejaarde? Volgens mij zit het zo. Op de een of andere manier verliest hij mama toch aan kanker. Niet aan d'r eigen kanker, maar aan die van de boswachter Tibeau. O ja, dat vergat ik nog te zeggen. Tibeau was vroeger boswachter. Dat bos is natuurlijk niet van hem, maar van baron Huppeldepup. Hij, Tibeau, mag op het domein blijven wonen. Nog enkele maanden in ieder geval. Mama helpt hem bij het huishouden. Al zegt ze zelf liever dat ze morele steun geeft. Dat ze hem bijstaat in zijn vreselijke ziekte. Zelf kankerpatiënte geweest, ervaringsdeskundige. Als ze kon, dan bezocht mama Tibeau elke dag. Effen uitblazen nu. Simons kan mijn rug op. Met zijn alwetend vertelstandpunt. Doei.


De maandag, woensdag en vrijdag. Dat zijn haar dagen. Mama's dagen in het bos bij Tibeau. Ze vertelt er veel over. Hoe kranig hij zijn ziekte draagt. Die shit, weet je wel. En dat hij al lang weduwnaar is. Om mijn vader te kloten, luister ik altijd heel erg geboeid als ze over Tibeau vertelt. En ik stel vragen. Zout in de wonde, weet je wel. Haar aan de praat houden. Dan zit mijn vader vanbinnen te klieren. Zeker weten. Als ik bijvoorbeeld vraag: 'Hoelang is de vrouw van Tibeau al gestorven?', dan voel ik papa's rancuneuze aandacht groeien. We gaan nu al enkele weken ook de zaterdag naar Tibeau en het bos. Mama, papa en ik. Mia en Lode hebben dan het huis voor zich en volgens mij neuken ze elkaar ook 's zaterdags suf. Als we 's avonds terugkeren dan zeg ik altijd: 'Verdomd, wat ruikt het hier toch vreemd.' En dan zie ik mijn zus met schuwe oogjes kijken of er ergens iets verdachts is blijven slingeren. En dan ga ik zo'n beetje met mijn neus bij Lode hangen. Snuivend, weet je wel. 'Naar wat ruikt het hier dan?' vraagt mama. 'Ik weet het niet,' zeg ik. 'Naar iets, iets.' Eigenlijk ruik ik alleen maar de brandlucht die in mijn kleren hangt. Terwijl mama voor Tibeau zorgt, kuisen papa en ik het bos een beetje op. Enfin, wat we eigenlijk doen is vuurtjes maken. Van struiken die we uit de grond spitten. Daar zijn we de hele dag mee zoet. En wat brandhout klieven, dat ook. Soms gooien we een vislijntje uit. In het bos van Tibeau is ook een vijver. Kutvijver. Met een paar eenden en kikkerdril. Nog niets gevangen. We worden door mama twee keer in het huis getolereerd. Ge wat, Verbeke? Getolereerd, meneer Simons. Tenminste als we onze vuile laarzen uitdoen. Tegen de middag krijgen we een kom soep en zo rond een uur of drie is er koffie en een stuk cake die mama zelf heeft gebakken in de oven van Tibeau. Nog een heuse steenoven zoals bij de Italiaan. Appelcake. Door de kanker is Tibeau z'n stem zo goed als kwijt. Mama moet echt tegen zijn mond hangen als Tibeau iets zegt. Anders begrijpt ze hem niet. Nou, ik verzeker je, als je het plaatje niet snapt dan zou je denken dat die twee aan het knallen zijn. Veel zegt hij niet meer, Tibeau. Tegen mijn pa zeg ik dan dat die twee, mama en Tibeau, elkaar ook zonder woorden begrijpen. Dat steekt, kennelijk. Dan bekijkt mijn pa me zo eens en dan kijk ik terug met een uitgestreken gezicht. Volgens mij zal hij een gat in de lucht springen als Tibeau de pijp uit is. 'Kanker is een rare ziekte hoor,' zeg ik soms zomaar, langs mijn neus weg. Op een toontje alsof ik zelf oncoloog ben. Dat woord moet ik zeker gebruiken. Simons houdt er wel van als je beslagen ter ijs komt. Dan denkt hij dat je hard aan je taak voor Nederlands hebt gewerkt. Een ouwe boekhouderskop heeft ie, Simons. Nou ja, het woord oncologie ken ik omdat mama zelf kanker heeft, heeft gehad. Persoonlijk denk ik dat niemand helemaal kankervrij is. Ik weet niet goed waarom ik dat denk, maar het ligt zo' n beetje in de orde der dingen. Aan elk meisje is wel wat. Zodra je haar wat beter leert kennen, ben je al niet meer zo verliefd als in het begin. En tegen dat je er erg in hebt, zit je al respectloos aan d'r tieten. Wat je in het begin voor onmogelijk hield. Waar je zogezegd helemaal niet op uit was. Zo erg verliefd ben je maar korte tijd. Dan slaat de kanker toe. Ook de mens die zo gezond is als een vis en die zich altijd kiplekker voelt, is niet helemaal kankervrij. 'Hou jij eens je wafel, wil je?' zegt mijn pa als ik daarover uit mijn nek sta te kletsen. Ik zeg het je, het zit hem niet lekker dat mama de hele dag voor Tibeau zorgt. Ze heeft een echtgenoot waarvoor zij moet zorgen. Een gezin. Papa kan een boswachter met keelkanker missen als de pest. 'Ik denk dat hij weer helemaal zal opknappen, papa,' zeg ik. 'Wie?' Wie, vraagt hij. Volgens mama was Tibeau niet alleen boswachter, maar ook kunstenaar. Nu niet meer. Te ziek. Om te schilderen, moet je niet veel kunnen zeggen. 'Waarom denkt mama dat meneer Tibeau vroeger kunstenaar is geweest, papa?' Op een toontje. Haha. 


Je hebt ook nog andere vertelperspectieven. Ik zou mijn moeder dit verhaal kunnen laten vertellen. Waarom ze het doet en zo, waarom ze voor een andere kankerpatiënt wil zorgen? Wat ze werkelijk van Tibeau vindt? Of alleen maar medelijden haar drijft? Dat soort zaken. Psychologisch misschien wel interessanter? Simons zou er van opkijken. Mij ervan beschuldigen dat ik het uit een boek heb. Of het verhaal door mijn pa laten vertellen? Hoe hij aan dat geweer kwam? Hoe het precies gebeurde allemaal? Maar dan zou het natuurlijk heel erg ernstig worden. Nou, mij niet gezien. Simons moet maar een boek lezen als hij het alwetende vertelperspectief wil. De bijbel bijvoorbeeld. Ik ben God niet. Haha. Neem nou mijn ma. Die weent bij de minste scheet. Als papa iets onvriendelijks over Tibeau zegt, of iets onvriendelijks tout court. Meteen tranen. Overgevoelig, mijn ma. Als ze bij het afwassen een glas laat vallen of zo, dan weent ze ook. Als ze de bedden niet opgemaakt krijgt, dan weent ze. Alles gaat kapot. Ja, oké, maar wenen om een gebroken glas? Om een onopgemaakt bed? Dan ben je niet goed bezig als je het mij vraagt. Ik begrijp mijn ouwe wel, heus. Is mama dan eindelijk genezen, gaat ze zich de ellende van een ander aantrekken. Daar heeft hij dus geen boodschap aan, papa. En wie zegt er dat er na deze Tibeau geen andere kankerpatiënt volgt? Kanker genoeg in deze wereld. Zoals ik al zei, niemand is helemaal vrij van kanker. Ik ook niet. Het is makkelijker om alles uit mijn perspectief te vertellen. Neem nou dat geweer. Heavy shit, ik zweer het je. Ik stond tegen een tak te schoppen, bij het vuur. Groene bladeren geven witte rook. Scherpe, witte rook. Mijn ogen traanden. Mijn ouwe dacht dat ik stond te huilen. Vindt hij geinig en zo. Altijd dezelfde grap. 'Waarom sta je te grienen, jongen?' vroeg hij. 'Ik sta niet te grienen, het komt door de rook.' Met mijn domme kop sta ik het ook nog een beetje uit te leggen. Dus zie ik eerst niet dat hij een geweer bij zich heeft. Richt hij dat geweer ook nog eens op mij, het kalf. 'Je geld of je leven,' zegt hij. Ik wist natuurlijk meteen dat mijn pa aan het dollen was. Dus ik er naartoe. 'Geef eens,' zeg ik. 'Nee,' zegt mijn pa. 'Waar heb je dat geweer vandaan?' vraag ik. 'Jouw zaken niet,' zegt hij. 'Toe, geef eens,' zeg ik. Maar het is verloren moeite. Mijn pa is zo koppig als een ezel. Nou prima, ik doe verder alsof hij lucht is. Stop dat geweer in je reet, denk ik. Mijn pa gaat dieper het bos in. Denkt vast dat hij een ree zal kunnen afknallen. Ik zie hem tussen het groen en de rook verdwijnen. Enkele minuten later hoor ik een knal. En kort daarop nog een knal. Fuck, denk ik, die is echt aan het schieten. Ik er naar toe. Wil ik dus ook wel eens doen, knallen met een echt geweer. Ik vind hem in een stuk bos waar we nog nooit zijn geweest. 'Hé, pa,' doe ik. Vriendelijk en zo. 'Ik wil ook eens.' Hij antwoordt niet, schoudert het geweer en schiet. 'Nu ik,' zeg ik. 'Toe?' Maar hij lost niet. Hoe het allemaal is gebeurd? Had hij mij maar laten schieten met dat geweer. Dan was er helemaal niks gebeurd. Dan had ik gemikt zoals hij en op dezelfde boomstam geschoten. Maar nee, ik mocht niet. Ik stond daar zo'n beetje te smeken. Schaam ik me nu nog om. Hij vuurde wel tien keer. 'Prima geweer,' zei hij. Als om mij te jennen. Ik kookte. Moet hij plots pissen en zet hij dat geweer tegen een boomstam en zie ik mijn kans. 'Afblijven,' waarschuwt hij me. Ik wacht geduldig mijn kans af. Als ik zijn pis tegen de boomstam hoor kletteren, enkele meters van het geweer vandaan, ren ik er naartoe. En vooraleer hij er erg in heeft ben ik al verdwenen. Ik ren in de richting van het woonhuis. Ik hoor mijn pa vloeken. Niet normaal, ik zweer het je. Zo luid heb ik hem nog nooit horen vloeken. Om de een of andere reden, waarschijnlijk omdat ik plots schrik heb,  zie ik van mijn oorspronkelijke plan af. Ik storm op de deur af. Mama moet mij beschermen.


De schrik sloeg de jongen om het hart. Hij wou dat hij het geweer had laten staan.  Zijn vader kon wel een geintje hebben, maar dit was er bepaald over. Waar zat hij met zijn gedachten? Het tweeloopswapen lag zwaar in zijn handen en belemmerde hem bij het rennen. Hij wist niet dat zijn vader, Daniël, weliswaar boos was, woedend zelfs, maar meer nog bezorgd dat er hem iets zou overkomen. Als in een droom waarin hij zelf nauwelijks vooruitkwam, voelde hij zijn oude heer naderen. Hij spurtte naar het terras van Tibeau. Mama moest hem beschermen. Mama. 
   Daniël, op zijn beurt, kon zich wel voor de kop schieten. Wat had hij gedacht toen hij met dat geweer in het bos ging stunten? Zijn zoon was er zeventien, wist met zichzelf geen raad. Hij liep, hij voelde zijn hart in zijn keel kloppen. Het was alsof hij door zijn eigen vader achterna werd gezeten en een geweldige afstraffing wachtte, alsof het onrustbarende van de situatie vorige generaties alarmeerde en op stang joeg. 
   Rita dacht op haar beurt dat het onopgemerkt zou blijven, dat het een daad van barmhartigheid was. Ze liet haar hand gedwee door Tibeau onder het deken naar zijn stijve geslacht leiden, naar wat onder het wassen wel eens teken van opwinding gaf, maar nu hard en groot en gebiedend was. Het maakte haar wee. Ze streelde. Protest en gewilligheid gingen samen. De arme man kreunde. Het geluid kwam van jaren ver.