maandag 28 mei 2012

VOLTOOI DE REGEN IN APRIL




Jongedames die horloges dragen kijken er de hele tijd op.

John Keats



DOE EENS WAT


Geef de bergen warm applaus,
maak zeeën drager van een beginsel
dat zichzelf niet draagt.

Geef eieren een academische titel
en meeuwen ruimer plaats.
Lees verdwenen sterrenstelsels
de les en onderzoek fijn stof
op micrometeorieten in wereldsteden.

Deel tot slot je bevindingen traag met platteland.
Laak het smeulen van je polshorloge
als een filtersigaret.

Maak voor wie vraagt
een planeet of drie rookvrij.
Maak je langer belachelijk dan een giraf.

Maak van papier papier dat luistert
naar je werkverzuim van zijn.
Doe eens wat, leun eens als een zeil
bij windstilte en leun eens niet.

Denk eens aan een jarig kind
als aan een fruitschaal
waarin slechts een barstje zit.




 
DROOM EENS WAT


Ik bereed nog deze nacht een paard
en galoppeerde al van ver.
Kwijl en zweet van kwelling
waaiden mij ter aangezicht.

Toen ik de grote rivieren overstak
geilden God en pierke op mijn tred.
Het beest te vreten gaf ik bloemen,

tulpen uit de muur. Het paard, welnu
dat paard ging liggen bloeien in het stro.
Zelf werd ik struik van vlees, rafelige klomp.

Calvijn in een prent van Francis Ford Cop-
polla, U zegt het.





VERBIED EENS WAT

Je verbood de vlo in de knuffel van je taal,
die wollige sjaal rond jouw dikke en koude nek,-
Doe dat eens niet, verbied eens dat verbod.

Je verbiedt het goede op een morgen,
het encyclopedisch weerbericht zich  
met jouw vadsigheid verstaan. Hecht daar eens
niet aan en sta pas tegen de middag op.
Heb eens lak aan de vroegmarkt van de filosofie.

Dat hij die niet in het bezit is van jouw verzen
wordt omgebracht,- verbied dat eens.



LEES EENS WAT


Blijf eens plakken aan mijn ziel
en wachten tot je groot bent
vooraleer te gaan. Laat het nu
mijn beurt zijn keer op keer
te worden verrast door jou
met tikjes aan de binnenkant.

Ieder juicht je uitbraak toe
maar jij, je vlijt je feestelijk tegen
mijn aan als in een uitgestorven hol.

Til één bladzijde naar de sterren
en jammer met een snik
mijn woorden als een geit,- dan nog.

Zeg het kwam van nergens
en ga er klingelend naartoe,
drijf als rook traag met je drijven mee.

Ga liggen in een wei,
kauw op gras als vlees.
Lees dit bij een kopje thee,
meet jezelf als aardbeving af
met lotus, jasmijn, kaneel.

Steel bladmuziek voor mij,
berg het in een mooier niets.
Leer uit je hoofd die ene vraag
die je nog voor het vragen vroeg,
en heb aan een antwoord genoeg.






SCHEP EENS WAT


Probeer een valk,
een slechtvalk,
terwijl hij bidt.
Nee, geen slechtvalk,
slechtvalken bidden niet,-
en dat is zo typisch Goudeseune.

Probeer een internationale prijs
voor poëzie, schep die nooit alleen,
maar deel hem zeer voornaam
aan iedereen uit, aan alle acht miljard.

Nee, probeer toch maar een valk,
een slechtvalk die hangt,
of het nou bidden is of niet.
Laat manke ratten in zijn toren los,
hang aan zijn klok vol vogelpoep een slot.

Schep eens wat, los hem af met zwier
en zweef ver weg, ver weg van hier.






 
NOEM EENS WAT

Je weet niet waar je woont,
je huurt als rook benauwde longen.
Het staat je vrij te ademen,
er gebeurt geen klap in deze buurt.

Je kunt hier makkelijk Heidegger lezen
met een stethoscoop.
En zelden kijk je, werkelijk buiten
zit binnenin, zit tussen muren die je
als behangsel deelt met flets motief.

Het is als kijken naar een lege vaas
die met leeg zijn niets kan.
Als er iets te klagen valt,
dan is het wel de prijs.
Hier dacht je uren na
en blies het uit als rook.

Naar het hooggebergte dreef het niet
en ook niet richting Brugge, het verdween,
liet sporen na als tierend teer
op de snelweg van je longen.

Ga toch buiten, vers, ga het achterna
en kom terug, schuif je voetjes in dit nat,
ga rechtop liggen, wees wang.





ZEG EENS WAT

Zeg eens zes keer na elkaar:
'Je kunt niet vinden dat ik zwans',
Probeer het voor je verder leest
zes keer, zes keer na elkaar.

Nu ben je al dichter
bij wat ik bedoel, die witte
regel hierboven, hieronder

maakt de som met witte cijfertjes vol kunde

over jou, over mij, over ons.
Want wie zou zes keer willen zeggen
of hij zwanst of niet,- doe jij het?








ROL EENS WAT

Rol de letter o bijvoorbeeld,
rol die eens naar hier: o!

En probeer dat eens met mij.




ZIE EENS WAT


Echt kwetsen doen meeuwen elkaar nooit.
Ze maken misbaar in de lucht, roepen, tieren
om een korst van mij, van mij. En drijven.
Van waar ze komen weet niemand.

De haven soms, maar ook daar slechts
groepjes vluchters die moesten lossen. De zee
is in het binnenland een mythe, drie dagen van De Panne.
Ze doen heel naar tegen elkaar, slaan een gat en gaan
de achtervolging aan, waarom? Zelfs Pessoa wist het
niet. Ik weet waarom, maar ik zeg het niet.

Echt kwetsen doen meeuwen elkaar nooit,
behalve na de dood. Beginnen met de ogen,

als een kind met stiften.



HERINNER EENS WAT

Ik had mijn ouders op bezoek.
Na wat over en weer gepraat
ging mijn vader zitten en zei:
'We moeten u iets zeggen.'

Het was zijn gewoonte niet
mij aan te spreken met u,
hij nam het woord omzeggens* niet.

Mijn moeder in de keuken,
haar achterna,
van haar vernemen
wat mijn vader zeggen zou.

Dat wou ik, herinner ik me,
dat wil ik nog altijd.



*omzeggens: Vlaams voor nauwelijks








VOLTOOI EENS WAT


Voltooi de regen in april,
hou van het wrede alleen
het ophouden over.

Het landschap waar het plaatsgreep
geteisterd door penselen, yes.

Dat dode land voor seringen.
Waai niet zo, ga liggen verf
als merg in 't bar gebeente.

I'm so through with T.S. Eliot.

Iemand schildert me, luister.
Voltooi dat luisteren, je
big farewell to Flemish poetry.





DUUR EENS WAT


Brandhout is mijn denken zonder vrouw.
Nu dacht je vrij naïef: dit is een puike regel.

Je weet qua zwaarte
wat hij zegt: zo net genoeg
net over de top
zo is het meer dan echt.

Ik stond onlangs aan het tankstation.
Voor mij een trucker met bomen.
Wat duurt op drift zijn lang, dacht ik,
en wou gaan liggen op mijn stuur.

Toen hij eindelijk klaar met tanken was,
veegde hij zijn handen aan de snelweg af.




 
SPEEL EENS WAT


Chopin, lieve Fréderique, ik heb gedroomd.
Er is geen ander wiens nocturnes
mij zo boeien 's nachts.

Met een loodje aan elk kootje
deed ik noot voor noot

jouw pelgrimage na.

Godverdomme maat,
jij olifant met gregoriaans ivoor.
Wat zou Charles Bukowski daar nu van zeggen?




DICHT EENS WAT


Ik ben geen jonge handelaar in huiden meer.
We tellen de renaissance niet en mals als olie,
koppig in de lucht, geslacht, de pels gelooid,
geleerd dat alles van mijn vader, heb ik niet.

De pelzen voor Leonardo verkoop ik sober,
ootmoedig haast, ik kijk hem zelfs niet aan.
Het is een farao geleden dat ik nog iets verkocht,
dat ik van wat vliegen moest het vel mocht spannen.



 
ZING EENS WAT

Wat deed je 't laatst? Zingen of huilen? Te Amsterdam
zong je 's avonds iets engelachtigs met anglicanen mee,
en toen je je afvroeg wat je gezongen had, wist je 't niet,
je kon wel huilen en had geen idee waarom je huilen kon.

Och, gij treurwilg die een populier kon zijn, de hoogste
in een klas van wenende bomen met de vinger in de lucht
het antwoord op de lippen klaar van deze regenachtige dag.
Het is vroeg voor vespers, Ruth Joos* moet nog.

Vergeet ook niet dat geen van hen ooit helemaal als jij
een flamencodanseres wou helpen. Rasgueo, Spaanse
roffel op je luchtgitaar, je lul van castagnetten.

*Ruth Joos: Vlaamse radiomaakster



BEWIJS EENS WAT


Wat achter dit internationale gevoel zit,
achter dit genoeg. Beschaving,
zeg je, maar bewijs dat eens.

Marcel Proust zeg je,
maar bewijs dat eens.

Geen bewijs nodig, zeg je
maar noem eens van de eerste radio
de opera's in braille op.
Bewijs eens akelig botanisch
die netel in je kop.

Geen eigenschappen zeg je,
maar wij vinden en vragen
genoeg bij elkaar om er een
eigenschap van te maken.

Iemand noemde je ooit klei
en kraakte je debuut
waaruit je als biet getrokken wordt
en las verder, steeds verder,
al je onzin bij elkaar die dag,-
maar je regionale komaf bewijzen,
je vuile was aan theologen schenken?

Bewijs eens dat je niet kunt leunen
op een geheugen aan fouten in je stijl.

Bewijs eens dat een kind
tegen de wind in loopt aan je hand
en daarom niet huilt.

Bewijs eens dat je je hier nog uit kunt lullen.






VERANDER EENS WAT


Verander eens Ruth Joos in brede opklaringen,
en laat naar je bedoeling raden, generaties lang.
Ga eens naar de kapper met je nieuwe boek,
fatsoeneer je, knip die grijs geworden krullen

bij en van het krullen moe. Je bent nu oud en wijs
genoeg om eindelijk stil te staan bij toen je zeventien was.
En zie haar weer lopen, laat die tentslet in je schrijven toe.

Over dertig jaar, zei je, wil ik ergens staan.
Ja, als een tent zo stond je, en sliep met pukkels
je pop van sentiment tot na het onweer uit,
knikkerde met vrucht die kerktoon uit je jazz.





BEF EENS WAT


Herman, beffen deed ik ooit met overtuiging
in Brussel!

Ik plafonneerde in de herfst van mijn
carrière aan de Louizalaan,
na champagne, oesters, een literaire prijs.

Aan de hotelbalie werd ik lichter
en steeg vol lachgas aan haar zijde op.

Nomdedieu vous êtes un vrai canon
dat zei ze tegen jou misschien,
maar tegen mij citeerde ze uit een haiku
van Pierre Plum. Gaat zo:

'koeien in de wei
ze grazen gras en klaver
slurpen nooit een ei'

Herman, wat sprak ze het woord
slurpen meesterlijk uit!

Ik zeg je, beffen deed ik ooit met overtuiging
in Brussel

mans was ik!





SPAAR EENS WAT


Spaar je dorst voor na dit vers,
je wortels voeden ook mijn wangen.

Je blos die ik op facebook las,
versiert wel anderen, maar allemans
Limburg in mijn eentje zit ik hier

en vraag je wat je na het dichten doet.
Ga je dan blinken als een appel
in je schaal of bloos je ook mijn Peer,
mijn Geel, mijn Mol, mijn Paal en Balen?

Lommelt het fruitigs wat ik doe je interesse?
Jij steeltje, als je aan al mijn vingers kleeft?
Als ik je bijt en als ik spuw, jij pietje rut,
ga weg, krijg ik dan geen duimpjes meer?




VERTAAL EENS WAT


The Catholic Bells
(William Carlos Williams)


Tho' I'm no Catholic
I listen hard when the bells
in the yellow-brick tower
of their new church

ring down the leaves
ring in the frost upon them
and the death of the flowers
ring out the grackle

toward the south, the sky
darkening bij them, ring in
the new baby of Mr and Mrs
Krantz wich cannot

for the fat op its cheeks
open well its eyes




Katholieke klokken

Juist, ook ik ben nauwelijks katholiek.
Het valt mij zwaar gebeier te horen
uit de toren van gele baksteen,
uit hun nieuwe kerk

als ze de blaadjes helpen dwarrelen,
het laagje ijs verwelkomen,
de spreeuwen zwermen, de rinkel
in dode bloemen klaagt.

als ook de lucht hoog
naar het zuiden toe
en de nieuwe baby van
de Krantz dingdongt

en door het vet op zijn wangen
z'n oogjes nog niet goed openen kan.





LEER EENS WAT

Vliegvissen kun je leren, oud Portugees.
Je kunt tegen de sommelier van dienst leren
zeggen dat je het bruiswater lekker vond.

Je kunt ook beleefd zijn leren en leren
zwijgen als je niets te vertellen hebt,
rumoer in je kop de mond kloek snoeren,

al die kleine dingen, dat kun je leren.
Bovendien zul je het moeten, ik heb
het nu wel gehad met jou. Wat dacht je
toen je aanving, dat je blijven kon?










Tien vrolijke gedichten


'Mens ben ik niet, ik was het,' was zijn antwoord.

Dante Alighieri, De hel


WIT

Wit zoals een nieuwe kleurboek vol Eskimo’s
en een kind dat vaststelt dat je een Eskimo
niet kunt kleuren en je het boek teruggeeft.
Zo wit zijn de bloemen die je bij gelegenheid krijgt.

Je kunt ook stellen
dat je nooit bloemen krijgt.
Dat in dat niet krijgen
alle bloemen begrepen zijn
of althans de lucht eromheen,

maar waarom zou je dat doen?






CONCEPTUELE KUNST

Ik sta hier al jaren heimelijk te roken,
maar vraag je mij naar de stijl,

naar de stijl van het balkon,-
veel kans dat ik het niet weet.

De borstwering voor een stuk uit riet,
daarachter muur en stroken tarmac,
twee wasdraden bij mijn kop
met drie vier zeven knijpers.

Lucht vol daken en daarboven eindelijk.

Heel af en toe zie ik in de vroege avond
een luchtballon passeren en hoor ik
het brullen van het hoge vuur

om weer op koers te komen
dat niet harder klinkt dan knisperen.

En de stilte van de mensen daar.






FEEST VAN DE ARBEID

Toch weer ontroerd door oude dames
in een stoet vol rode vlaggen.

Ik wou een ode aan hun jeugd,
toen ze al socialist waren
maar nog niet oud.

Toen hun opgestoken vuist
de slappe lach kreeg
bij momenten
en ging wuiven.

Toen dat broze blonde kapsel
blonder was en minder broos,
toen je onder het vrijen
er nog zachtjes kon aan trekken.



 
VLIEGTUIGEN


Vanmorgen -ik lag nog in bed-
dacht ik aan die keer dat ik
erg dronken in een openlucht-
zwembad op een matras
lag te dobberen.

Het was vroeg in de jaren negentig,
de avond naderde als een
kelner met drankjes.

Ik keek naar de vrachtvliegtuigen
die van de nabijgelegen luchthaven
een lage bocht beschreven
tussen steeds talrijker wordende sterren,
en naar de vliegtuigen met passagiers
waar ik naar lag te wuiven als een idioot.






CRISIS I


Het land was oud
en arm.
Ook op de snelweg
reden auto's niet harder
dan 60 km per uur.

Jongens zaten
als vanouds
meisjes achterna,
maar bleven
soms ook zitten
als een meisje
voorbij slofte
op hoge hakken,
onzeker, onvast,
zoals vieux roze
op jonge lippen.

Verkeerspolitie
deelde I love you-
buttons uit.







CRISIS II

Aan de hemelpoort
hing voor mij alleen
een briefje

dat was ondertekend
door alle drie

Vader
Zoon
Heilige Geest:

'We moeten er
geen tekeningetje
bij maken, zeker?'

Het voorval deed me
denken aan iets van vroeger:

Bij een mooi stukje natuur
zag ik ooit een bordje staan:

'Pas op!' zei het.

En daaronder
in niet eens
zo kleine letters:

'complimenten
delen in de klappen'

Wilde bordjes
op mijn wandeling
die er niet
werkelijk staan.







RUDI VRANCKX SCHRIJFT EEN LIEFDESGEDICHT


Je kunt wel zeggen, bijvoorbeeld,
dat poëzie het explosief is
waarop je springstof smeert,
maar hoe zeg je dat?
Bottom of Form
Al die foto's die van me werden genomen
zijn inwisselbaar,- geef ik ruiterlijk toe.
Ja, natuurlijk treft mij dat.
Ik ben oorlogsverslaggever.

Samen met mijn moeder
vroeg ik me af:
wat te doen moet fotografen?
Sinds mijn jeugd
slaagt niemand er in.

Geen houding voegt iets toe
aan waar ik sta en wat ik doe.
In iedere oorlog zeg ik alleen
maar dit was Rudi Vranckx.

Bij u, mevrouw, is dat helemaal anders.
Ik zie u nu al in de tropen zitten
onder een parasol uit het interbellum.




LIONEL TRILLING SCHRIJFT EEN LIEFDESGEDICHT


Kritiek herlas ik nooit, nooit.
Hoe zou dat, dacht ik, moeten?
Rein, vernuftig alleszins, maar verder?

Hoe dan zou ik kunnen
lezen hoe het moest en zou
als ik er niet zelf de kiem van was
en me tropisch vergiste

in jou en tasten moest als wat?
En bleef het maar bij tasten, vergeef me
deze arrogantie, je kunt jezelf niet kietelen,-
Ik wist wel dat het onmogelijk was.




K.G. SCHRIJFT EEN LIEFDESGEDICHT

Laat voedsel je medicijn zijn,- akkoord,
maar wat was het voedsel van Houdini?
Heb je er al eens bij stilgestaan wat
Sibelius at? Claus hield van oesters,

en ik, denk je dat ik daar niet van houd?
Er was een tijd dat ik n'importe quoi,
maar toen ik je vroeg waarom Indianen
nooit eens witloof in hespenrolletjes,

of desnoods een Gentse waterzooi,-
toen, ach pas toen draaide je mij een tong.
Liefde lacht met wetenschap. Wat denk je
vroeg je, en moest vreselijk, vreselijk.




MARK ZUCKERBERG SCHRIJFT EEN LIEFDESGEDICHT


Er zijn niet zo gek veel volkeren
die met minder zijn dan zes miljoen.
Dat zei een kennis van mijn grootmoeder,
een Joodse.

Op de één of andere manier is dat getal,
dat astronomische getal blijven hangen
en ben ik ermee aan de slag gegaan.

Ook bij het schrijven van dit eerste gedicht.
Als ik 47 ben wil ik er dertien hebben geschreven
en in het midden van mijn leven zijn.

Misschien ben je er dan al niet meer,
maar het zou mooi zijn als ook dat laatste gedicht
over mijn liefde zou gaan voor jou.

Als ook volkeren die met minder zijn
het zouden lezen. Indianen, bijvoorbeeld,
wiens eetgewoonten jij kent.






Koenraad Goudeseune

































vrijdag 4 mei 2012

DAGBOEK

26/05/'12

Het zit er dik in dat ik over enkele maanden dakloos ben. Ik doe er alles aan om dit soort privé-aangelegenheden uit dit schrift te weren, de lezer mocht het hopelijk al merken, maar ik moet zo zoetjesaan overmacht inroepen want de feiten zijn nakend. Het appartement waarin ik dit schrijf, wordt straks alleen nog door mij bewoond en als ik geen deftige loonfiche kan voorleggen, dan gaat ook dat niet door. Ik ben werkeloos en heb dus niet eens een loonfiche, bovendient bedraagt mijn uitkering 400 euro en een klets en van mijn spaarboekje blijft onderhand ook slechts wat zakgeld over. Goed, dan neem ik miijn intrek wel in een groezelige kamer en overleef Multatuliaans van de 5.000 euro die ik van het letterenfonds krijg. Of ik ga met de pet rond zoals Bob van Laerhoven. Of ik word straatmuzikant. Ik realiseer me als geen ander de luxe waarin ik dit schrijf, zoals een schilder doek en verf nodig heeft, heb ik een kamer nodig, enkele woordenboeken en tijd, veel tijd. Dus wie mij als roommate wil, geef me aub een seintje. Iets anders nu, de Koningin Elisabethwedstrijd. Tussen de eerste sonate van P en het concert van S was er een portretje van een reclamemaker met een lange, rosse baard. Zijn naam schiet mij niet te binnen. De jongeman ziet er erg laatpostmodern uit en maakt reclamefilmpjes voor Klara. De spreekstem bij die leuke, vaak verrassende filmpjes is niet zelden die van Chantal Patyn na het beluisteren waarvan men enige opwinding ervaart want mevrouw Patyn spreekt als een sneltrein. Welnu, bij die jongeman ga ik alvast niet wonen. Hij bestond het over Mozart en Beethoven te zeggen dat zij de traditie niet kenden. Wie huurt dat soort priettpraatspuiende klojo's in?



24/05/'12


MARK ZUCKERBERG SCHRIJFT EEN LIEFDESGEDICHT
 


 Er zijn niet zo gek veel volkeren
die met minder zijn dan zes miljoen.
Dat zei een kennis van mijn grootmoeder,
een Joodse.

Op de één of andere manier is dat getal,
dat astronomische getal blijven hangen
en ben ik ermee aan de slag gegaan.

Ook bij het schrijven van dit eerste gedicht.
Als ik 47 ben wil ik er dertien hebben geschreven
en in het midden van mijn leven zijn.

Misschien ben je er dan al niet meer,
maar het zou mooi zijn als ook dat laatste gedicht
over mijn liefde zou gaan voor jou.

Als ook volkeren die met minder zijn
het zouden lezen. Indianen, bijvoorbeeld,
waarvan jij de eetgewoonten kent.




23/05/'12

Dat één beeld meer zou zeggen dan duizend woorden, is onzin en je kan er de van alle talent verstoken fotograaf, vormgever, cameraman, designer aan herkennen. Als hij het zegt, dan knikt haast iedereen, want het is zijn professie, toch? We laten ons er al te gemakkelijk door inpakken. Het zijn ook altijd, àltijd mensen met een foute bril die zoiets beweren en als ze geen bril dragen dan zijn ze ter eigener hout al fout. Net zoals iedereen met ogen in zijn kop, heb ik al heel wat beelden gezien, maar nog nooit had een beeld voor mij die gelaagdheid waarmee bijvoorbeeld een fuga zich door mij laat kennen. Eén gedachte bij Heidegger, daaraan heb je volgens mijn berekeningen aan een eeuw film niet genoeg. Er is ook niets dat gauwer verveelt dan een beeld. Ra, Thor en Ina hebben dat goed gezien en laten de seizoenen elkaar doelloos opvolgen, de een met discutabel gezag, de ander met botanische ernst. Het eeuwige groen van coniferen,- het is geen wonder dat ze in kloostertuinen domicilie vinden. Ze zijn het beeld in het gedicht. Het beeld dat met het beeld niet strookt. Het interessante beeld. Fotografeer dat maar eens: atletiek van snijbloemen. Valt niet mee, hé?

 

 

 

 

22/05/'12

Als criticus zou het in principe mogelijk moeten zijn je eigen bundel te bespreken. Het is ongebruikelijk, zeer zeker. En bij een uitgelezen schare lezers waarmee je de theaterzaal in kunstencentrum Vooruit kunt vullen, maak je je daarmee al bijvoorbaat onmogelijk, of belachelijk, of onmogelijk én belachelijk. Maar dat deert mij allerminst, het is een genoegen te worden uitgefloten, ook al is dat gefluit overbodig. Dus, laat het me toch maar eens proberen. Wat ongebruikelijk is, is dat pas tot op zekere hoogte. Daarna treedt wat je het Davos-effect zou kunnen noemen in en voelt althans deze Hans  zich in zijn element op zijn eigen toverberg. De kiem van de gedachte dat ik inderdaad mijn eigen gedichtenbundel zou kunnen bespreken, groeit hier niet uit tot iets van tropische weelderigheid, want boven de boomgrens is groeien problematisch, de ijle lucht maakt eerder dat men krimpt, dus laat mij nederig beginnen. Koenraad Goudeseune schrijft gedichten zoals een ander pist. Of hij wil dat ons doen laten geloven. Wie hem een beetje volgt op facebook, weet dat de meeste van zijn gedichten in een zucht en een scheet worden geschreven en de kwaliteit van zijn verzen rechtevenredig is met de kwaliteit van de wiet die hij erbij rookt. Het is nog maar de vraag of de dichter Goudeseune een idee heeft (onderbroken).

21/05/'12

Wat in de lijn der verwachtingen ligt, dient hier niet aan de orde te komen. Dus gisteren en eergisteren viel er niets te schrijven. Helemaal in beslag genomen door commentaar...dat niet kwam. Of slechts in dergelijke miezerige straaltjes zeik dat je net zo goed kunt stellen dat er helemaal geen commentaar kwam. Ja, men had het over een spelfout. Iemand schoof me kwaadwilligheid in de ziel, frustratie. Alweer. Je hoeft maar je mond over Vlaamse poëzie open te doen en je speelt een politiek of familiaal spel, ook al zeg je alleen maar dat net dat spel de Vlaamse poëzie hersendood dreigt te maken. Waar ik hoopte duidelijk te maken waarom drinkbaar water geen loodgieter nodig heeft, onderzocht men uit wel kraantje ik zelf aan het tappen was. Enzovoort. Dit is dan wel een dagboek, maar daarom ben ik nog niet verlost van de vraag wat een dagboek precies is. Het is in ieder geval geen één op één beschrijving van wat er zo allemaal voorvalt, want althans ik kan geen zin schrijven zonder overgave aan wat die zin zelf wil en dan schiet wat is voorgevallen er altijd bij in. Dit soort beschouwende oprispingen? Een hele verzameling daarvan? Als antwoord op de vraag waarom het dagboek van Jan interessanter is dan dat van Pol, gegeven het feit dat het leven van Pol voor de goegemeente veel interessanter is dan dat van Jan?



19/05/'12

Na meer dan een half jaar qua alkohol geen druppel te hebben aangeraakt, was het eergisteren weer eens goed raak. Het begon met een St. Bernardus dubbel van 12° op het terras van café De Valk te Ieper en eindigde tien uur later met whisky. Veel gelachen, maar geen idee meer met wat precies. Iemand op café, Piet Chielens, de paus van de Eerste Wereldoorlog genoemd en hem gevraagd wat hij nou van het aan hem opgedragen gedicht 'Sulamiet' van Benno Barnard begreep. Ik anders geen woord. Ook geen idee meer waarom me dat met mijn dronken kop bezighield. Het gesprek eindigde in woede (zijn kant) en verbijstering over die woede van mijn kant. Gisteren dus een geweldige kater, maar desalniettemin naar de boekvoorstelling van David Trochs nieuwe bundel 'Buiten Westen' in het poëziecentrum aan de Vrijdagmarkt alwaar ik Willy T. om een persexemplaar moest vragen aangezien ik de bundel voor de boekensite van Knack wil bespreken. En daar ga ik nu eens aan beginnen, zie.



18/05/'12

Weg met de dagboekschrijver! En in zijn zog mag de dagboekdichter mee! Gisteren, nadat mijn stuk op de boekensite van Knack was verschenen, een stuk waarin ik twee essaybundels bespreek waarvan de auteurs van Nederlandse origine zijn, rekende ik eens na hoeveel tijd en moeite het me allemaal had gekost. Ik wil niet aanmatigend klinken, dus laat ik de uren, de dagen leeswerk hier buiten de calculderende beschouwing, ik hoef met andere woorden niet betaald te worden om te lezen, maar het schrijven van dat stuk, het schrijven van n'importe quelle stuk is toch een voortdurend gevecht, een voortdurend wikken en wegen, een voortdurend tillen van wat misschien mijn krachten te boven gaat. Neem daarbij het feit dat ik beide boeken uit eigen zak heb betaald, samen goed voor 50 euro en dat het stuk me 75 euro opbrengt, dan leverde twee dagen zwoegen me ongeveer 25 euro op en schreef ik dus à rato van anderhalve euro per uur. Gezien de moeilijkheidsgraad, de vooronderstelde expertise, kun je dat bedrag niet eens meer belachelijk noemen, alleen maar beschamend. Twee kroketten uit de muur. Vandaar:

VOOR JEROEN K.

De kroketten uit de muur
in Cannes zijn aan de zure kant.

17/05/'12

Mijn laatste jointje was geen succes. Het bracht me geen gedicht. Er kwam wel iets gedichtachtigs op papier te staan, maar het was niet wat je noemt een beauty. Het was zelfs geen gedicht, want een gedicht is goed beschouwd pas een gedicht àls het een beauty is. Daarom begrijp ik niet goed waarom nogal wat dichters reeksen schrijven. Een goochelaar heeft weliswaar op het einde van zijn carrière een hele reeks konijnen uit zijn hoed getoverd, maar het bijzondere was niet de reeks, het bijzondere was dat éne konijn. Verdomd, hoe doet hij het? Daar was het om te doen. Dat hij het -tig keer kon? Zeker, maar daar ging het niet om. Het gedichtachtigs dat op papier kwam te staan, had iets van wat misschien wel een reeks kon worden. Poëzie die pas na veertien aflevering zich helemaal zou laten ontsluiten. Maar zover bracht ik het dus niet. Ik was er als bij voorbaat zelf moe van geworden, van die reeks. Het zou wel weer al mijn technisch vernuft vergen, er zouden wel weer van die typische Goudeseune-dingetjes in staan, maar het was me op een vreemde manier allemaal teveel. Ik had het zo'n beetje gehad, geloof ik. Nee, mijn laatste jointje was geen succes. Onlangs zei me iemand daarover: 'Het is omdat je een behoorlijke dichter bent dat je ondanks die jointjes nog af en toe een prima gedicht schrijft, het is niet andersom, jij stomme lul.' Op momenten als deze neig ik de man gelijk te geven. Nee, mijn laatste jointje was geen succes. Meestal heb ik al na een kwartier een gedicht klaar en dan geef ik het met glazige oogjes aan mijn directe omgeving te lezen, alsof hij of zij daar al die tijd heeft zitten op wachten, zo gewichtig is dat moment dan voor mij. Als een kanarie zit ik er bij te kijken. Maar vandaag word ik dus in de steek gelaten. Gedichten schrijven, ik zeg je: haast niemand kan het.

16/05/'12

Met onder mijn arm een verdomd vals klinkende viool het Stradivariusmuseum binnen.
  'Bent u hier om te stelen?' vroeg een zigeunerkind.

   Ze zei het met een hoogst zakelijk stemgeluid, niks joodse snik. 'Hoegenaamd niet,' zei ik en probeerde dapper mijn verontwaardiging te verbergen, ik had het tenslotte tegen een kind, een zigeunerkind bovendien. 'Ik ben hier voor het eerst en voor een kist. Ik wil weten waarin ik deze rotzooi kan bewaren.' Ik nam de viool bij de hals en vooraleer ik over mijn armetierige bezit iets kon zeggen, vooraleer ik mijn teleurstelling over de kwaliteit van dat instrument kon uitdrukken en het ter vergelijking als een verwijt, als iets hemeltergends naast de instrumenten van Stradivarius kon houden, nam dat kind het me uit handen en speelde een stukje waarbij ik het niet helemaal droog kon houden. Vrijwel meteen vond ik mijn nogal geprononceerde ontroering volstrekt ongepast, alsof ik me aan seksueel grensoverschrijdend gedrag bezondigde door net niets te doen dan luisteren naar dat kind, mezelf wat luisteren betreft niet in de hand te houden. Daarom zei ik middenin haar riedeltje: 'Ik wil weten in wat voor vioolkisten Stradivarius zijn instrumenten bewaarde, dat moeten erg degelijke kisten zijn, ze gaan nu al eeuwen mee. Welnu, zo'n kist wil ik maken. Dat kan niet zo moeilijk zijn, toch niet zo moeilijk of zelfs onmogelijk als het maken van een kopie van een Stradivariusviool, ik bedoel: geen hout van de duurste boom verlang ik, maar gewone plankjes waarop je ook, mocht je willen, potjes confintuur kunt zetten, in wezen doodgewoon plankjes, wat geitenvel en een handvat. Het hoeft zelfs niet op slot te kunnen, zo'n kist, want wie zou mijn instrument willen stelen?' Het meisje hield abrupt op met spelen, een hoge si klonk nog na toen ze me de viool teruggaf. 'Ik weet wat je bedoelt,' zei ze en verdween huppelend.




15/05/'12

Wantrouwen jegens wat zich terstond laat begrijpen,- want veel van de boeken waarin ik snuffel leren me nu net dat wat ik meteen meen te begrijpen vaak op niets dan schijn en piepschuim rust en met de werkelijke ontsluiting helemaal niets van doen heeft. Een zoeken dus dat luistert naar het devies van Rutger Kopland: 'Wie wat vindt heeft slecht gezocht'. Een zoeken naar scheurtjes in het decor, minieme openningen waardoorheen ik dan misschien wel mijn hele wezen kan persen om aldus aan de werkelijke, de waarachtige kant van de zaak terecht te komen. Existeren als penitreren, de vreemde biologie van de gedachte veroveren. En wanneer lang genoeg volgehouden, gaat ook die houding zich verklaren in een vermoeden van schijn en piepschuim en ervaar ik ook die zoektocht als misleidend en dien ik weer van vooraf aan te beginnen, alsof ik me dan weer moet bekeren tot het geklets, tot wat in die boeken het oneigenlijke spreken wordt genoemd. Als iemand mij vraagt hoe het met me gaat, hengelt hij of zij beslist niet naar een citaat uit dit dagboek of naar het waarom van mijn aanwezigheid bij het Balkangezang in de St. Baafsabdij gisteren, en ook niet naar een nietszeggend en terugkaatsend 'gaat wel, jij?' Niemand ontwaakt al zingend.


14/05/'12

Me stellig voorgenomen geen dagboekachtige gedichten in dit geschrift op te nemen, de zaken netjes gescheiden te houden. Maar dat ene gedicht moet dan maar. Wat is dat eigenlijk een dagboekachtig gedicht? Het klinkt alsof je het niet zelfstandig kunt lezen, alsof je er de stroom aan dagboeknotities bij nodig hebt, het klinkt als een gedicht dat zich schroomt helemaal gedicht te worden genoemd en anderzijds ook niet helemaal als louter dagboeknotitie door het leven wil. Het is een porseleinen vis, een meeuw van turf, het dagboekachtige van TRACK ligt voor de hand, maar wie herinnert zich over tien jaar de gelijknamige tentoonstelling die thans in Gent doorgaat nog? Gegeven ook het vluchtige karakter dat aan veel van dat soort openluchtmanifestaties kleeft, de Tarzankreet in de St. Baafskatedraal, de cycloop aan de St. Michielshelling, de berg stukgegooide borden aan de Korenlei? Of men herinnert ze zich helemaal niet meer, of men herinnert zich van de oorspronkelijke verrassing hoe het na een tijdje ging tegenstaan, de opluchting ook toen dat spek van Jan Fabre eindelijk van die Griekse zuilen werd gehaald. De manie om gedichten op gevels aan te brengen, regels van Pessoa op de dijk van Oostende bijvoorbeeld, gaat aan de vraag voorbij of die regels geen mooiere kustlijn verdienen?

 



TRACK

 

Ik sta hier al jaren heimelijk te roken,
maar vraag je mij naar de stijl,
naar de stijl van het balkon,-
veel kans dat ik het niet weet.

De borstwering voor een stuk uit riet,
daarachter muur en stroken tarmac,
twee wasdraden bij mijn kop
met drie vier zeven knijpers.
Lucht vol daken en daarboven eindelijk.

Heel af en toe zie ik in de vroege avond
een luchtballon passeren en hoor ik
het hoge vuur om weer op koers te komen
dat niet harder klinkt dan knisperen.

En de stilte van de mensen daar.



12/05/'12

Ook vandaag geen roman geschreven. Wel twee recensies gelezen van een roman die vanavond in de Handelsbeurs te Gent wordt voorgesteld,- een feestelijke gelegenheid waarop ik ben uitgenodigd. In De Groene Amsterdammer las ik het stuk van Joost de Vries, de kop luidt: 'Wéér een ontevreden schrijver'. In De Standaard der Letteren las ik het stuk van Marc Cloostermans en daarvan luidt de kop: 'Zwanger van een idee.' Christophe Vekeman op bezoek. Hij bracht de DVD-box van Mad Men terug, een serie waarop ik hem attent mocht maken en waaraan hij net zo verslingerd is geraakt als ik. Ook hij las het stuk van Joost de Vries, in vogelvlucht, en merkte op dat Cloostermans tot tegenovergestelde conclusies was gekomen. Deze middag ook de drukproeven van mijn nieuwe dichtbundel gecorrigeerd en niet te beroerd geweest een hele lap te schrappen en vier à vijf regels net ietsje anders te formuleren. Daarna drie kwartier een drievinger-rasquido op mijn gitaar (made in China) geoefend. De flamencoroffel laat zich in de verte en in het nauwluisterende ritme van zestiende noten een pocco vermoeden maar is vaker een vormeloze djang die het tegenovergestelde van trots uitdrukt. Er zelfs niet aan gedacht vandaag roman te schrijven. De hebbelijkheid alles intentioneel te beleven waaronder ik vroeger gebukt liep en desondanks bedroevend weinig op papier kreeg, is me stilaan vreemd. De zin om rond deze tijd te aperitieven met dry Martini's eveneens. Straks warm ik de vol au vent van vis op, ontkurk een voortreffelijke Chablis waarvan ik alleen eens aan de kurk mag snuffelen en hoop bij het toetje te verrassen met eerste aardbeien.

11/05/'12

 
 

Vijfduizend euro krijg ik dus van het letterenfonds, voor proza en poëzie, opnieuw de laagste dotatie. Dat is nog altijd vijfduizend euro meer dan wat een hoop dichters krijgen, een hoop dichters krijgen namelijk helemaal niks. Enkelen krijgen een veelvoud. Ieder jaar opnieuw veroorzaakt dat subsidieverstrekkend orgaan een hoop gal bij lui die vinden dat ze niet naar waarde worden geschat. Bij hen die wel een aardige duit van de overheid krijgen, en waartoe ik dus behoor, beluister je soms een lofzang op het eerlijke verloop van de procedure, de transparantie, de noodzaak ook, ze koesteren zich als een genezende in de ziektezorg. Onder onze beste dichters zijn er die niet uit werken kunnen gaan, die geen talent hebben behalve om bloedmooie gedichten te schrijven. Enkele beroemen er zich op buiten het literaire systeem te staan, er geen deel aan te willen hebben, liever op eigen kracht dichtertje spelen. Als je niet weet hoe je een systeem kunt verbeteren, is het misschien een goed systeem? Op die vraag betrapte ik me daarnet tijdens het oprijden van een rondpunt. Het verkeer schoot niet op. Waar ik heen moest, daar moesten er kennelijk veel heen. Schiet wat op, dacht ik. Dit dagboek mag vijfduizend euro duren, drie maanden dus, daarna sta ik weer ter broodwinning in de file en verpruts ik dus driekwart van mijn tijd met wat me in mijn leven nog nooit één seconde heeft beziggehouden. Als je uit werken gaat zit je dus niet driekwart van de tijd je eigen pen te pijpen.

 


10/05/'12

Natuurlijk zou je kunnen stellen dat ik me bij deze met het poëziediscours moei door op mijn beurt er iets beschouwends over te willen zeggen. Nog los van de vraag of mijn interventie waardevol is, verschuilt zich achter dit vraagteken misschien een tweede vraagteken: of ik dan met mijn punt niet zelf tot dat burgerlijk salon behoor en bijgevolg zelf beleid wat ik uit hoofde van dat romantische kunstenaarschap onbevredigend zeg te vinden. Zelf een slokje cava, een wolke sigarenrook, een olijk gefrons om daarna weer tot de orde van de dag te komen. Waaruit de logische conclusie zou moeten zijn dat boude stellingen daarover niet ter wereld komen zonder ingebouwd zelfvernietigingsysteem, want mijn interventie vraagt er precies om als onzin opzij te worden gezet en slechts door enkelen helemaal te worden uitgeziekt. Of op z'n minst te worden ervaren als tergend, niets dan het uitzetten van een deconstructivistisch valletje waarin de auteur hoopt niet als enige te zijn getrapt.
   De vraag die zich laat stellen: beschermt dat salon tegen vervalsingen? Kun je je er des honds gedragen en er niet aflatend op wijzen dat de wanden van boordkarton zijn, de drankjes geur- en smaakloos en de rookwalmen precies wat ze zijn. Beschermt dat salon de bezoekers ervan vooral over die gedichten uit te wijden die het verdragen, die het op een manier ook nodig hebben en die op hun beurt de beschouwer met beschouwing voedt, in een eindeloze reflecterende spiraal aan het eind waarvan iedereen het er over eens is dat het allemaal erg boeiend is, de uitdagingen eindeloos en dat er nog een hoop werk wacht, werk dat in een klein taalgebied door de overheid wel moet ondersteund worden, waarmee het meteen ook van maatschappelijke relevantie is verzekerd. Voert dat niet tot een zekere gezapigheid? Beschermt dat salon tegen het massief noemen van mediocre werk en het links laten liggen van wat beter verdient?


 


09/05/'12

 

Het lijkt de logica zelve: als het goed gaat met de poëziekritiek, dan gaat het ook goed met de poëzie. Na het lezen van Hans Groenewegens boek 'Met schrijven zin verzamelen', dat een twintigtal essays bevat die eerder verschenen in toonaangevende tijdschriften, ben ik me daarover vragen gaan stellen. Bijvoorbeeld, is het niet mogelijk dat er een boeiend discours over poëzie ontstaat omdat het met die poëzie zelve eigenlijk niet zo goed gaat? Thomas Mann laat in Doctor Faustus optekenen: 'Voor een cultuurtijdperk wordt er in het onze naar mijn indruk een tikkeltje te veel over cultuur gepraat, vind je niet? Ik zou wel eens willen weten of tijdperken die cultuur bezaten, dat woord eigenlijk wel gekend, gebruikt, in de mond genomen hebben.'
   Als je de abonnees van die toonaangevende tijdschriften waarin Groenewegens stukken oorspronkelijk verschenen bij elkaar roept dan is een voetbalstadion veel te groot om hen een tribune te geven. Ik geloof dat je aan een concertzaal voldoende hebt. En aan een salon om er Zij Die Er Hun Leven Aan Wijden een zitje te geven. Van de elite de dappersten, niet zelden dichters, noem ze maar: Piet Gerbrandy, Geert Buelens, Huub Beurskens, Benno Barnard, Dirk van Baestelaere, Joris Note...enz. Ik ben een ouderwets mens, die is blijven stilstaan bij bepaalde, mij dierbare romantische opvattingen, waartoe ook de pathetiserende tegenstelling tussen kunstenaarschap en burgerlijkheid behoort. De burgerlijkheid van een dergelijk salon, waarin opposerende standpunten een mousserend, coëxisiterend bestaan lijden als bubbels in een champagnedronk over dit avondland, slaat me op de keel, belet me het ademen.

 

 

 
 

08/05/'12

Regels schrijven. Iedere dag een twintigtal. Een beetje schrijver moet dat varkentje kunnen wassen. Mij lukte het gisteren absoluut niet. Er bleven zich maar zaken aandienen waaraan ik niet eens kon beginnen. Nou ja, ik kon er wel aan beginnen, en dat had ik misschien beter gedaan, maar met twintig regels had ik niet eens een idee van dat begin kunnen geven. En waarom het me te doen zou zijn geweest, geen mens had het kunnen bevroeden. Onder dat regime twintig regels schrijven en het bij die twintig regels houden, vond ik nutteloos en het gebeurde dan ook niet. Het hielp ook niet echt toen ik op mijn facebook schreef dat ik vergeten was een dagboekbladzijde te schrijven. Of ik bang was iets waardevols te hebben verprutst,- dat soort ironie las ik in de mij gestuurde duimpjes. Of ik bang was plots een ernstige toon te moeten aanslaan en de lezer te moeten meenemen naar een ingewikkelde gedachte? Gisteren, tijdens het kijken naar een praatprogramma waarin de presentator van een praatprogramma aan het woord wordt gelaten over een in de toekomst te presenteren praatprogramma waarin niet zelden een schrijver te gast is die aan de hand van beeldfragmenten drie uur lang enz.... De kans dat een schrijver net dit beeldfragment kiest en het daarover wil hebben? Hoe groot is die kans? Of hoe onbestaande? Dat was dus mijn gedachte, erg meta, erg geschikt om in dit geschrift op te duiken. Maar het liet zich onmogelijk schrijven. Waarom? Was ik zelf te zeer uit op een antwoord? Liet ik de doelloze bevraging intact als ik er een kloppende beschouwing over schreef? Slaagde ik niet veeleer als ik het nutteloos kon laten blijven, zoals ik deed? En is hiermee het bewijs geleverd dat het niet nutteloos was er me vandaag nog eens over te buigen? En doe ik dat ook morgen?

 


07/05/'12

Er kunnen zich dus geen dagen voordoen waarop er niets te vertellen valt, want ook dat niets, misschien vooral dat niets, is fascinerend. Bij mij voltrekt het zich meestal in de namiddag. De dag is al flink opgeschoten, maar iets wezenlijks is nog niet voorgevallen. Ik heb al die tijd op facebook verprutst met het uitdelen van duimpjes, het lezen van meningkjes die me geen ruk interesseren, het laten groeien van mijn vingernagels. Het te bespreken boek ligt op de salontafel te wachten tot wanneer ik eindelijk besluit het verder te lezen. Waarom ik het deze morgen na het ontbijt niet meteen heb opengeslagen en de draad die ik gisterenavond, omdat mijn ogen dichtvielen, heb laten vallen, weer opneem, is mij een raadsel. Het is niet zo dat ik 's morgens geen fut heb, integendeel. Ik ben vaak voor dag en dauw al uit de veren. Naarmate ik ouder word, heb ik, om de dag door te komen, aan vier à vijf uur slaap genoeg. 's Morgens ben ik welgezind, vol goede moed, vast van plan er iets bijzonders van te maken. Het eerste kantelmoment valt rond elf uur in de voormiddag. Nog niks gedaan en al bijna middag. Te laat om nog vóór de middag iets aan te vatten. Het middagmaal, boterhammen en soep, duurt hooguit tien minuten en daarna is er dus dat algehele niets dat ik vroeger al eens te lijf ging met het openen van de fles, de eerste slok wodka, het grillige tintelen van mijn doodlopend bloed waarmee meteen de hele dag op de helling werd gezet. Thans zelfs dat niet. Alleen niets.



06/05/'12

Uitgerekend op de nacht van de poëzie te Brugge was het toen het me plots daagde dat mijn dagboek een waardeloos geschrift dreigt te worden als het louter bespiegelingen over poëzie, over schrijven bevat. In de grote zaal van het concertgebouw zag ik ze allemaal, de dichters. Van Lieke Marsman tot Remco Campert, van Maud Verhauwaert tot Leonard Nolens. Wat ik er van vond, wat ik goed vond en wat minder, dat wil ik in een artikel kwijt, niet hier. Hier moet de poëzie plaats ruimen. Maar voor wat? Kleinsteeds gebabbel van een provenciaal? Rancuneus geroddel? IJdeltuiterij? Ik mag hopen van niet. Wat me misschien nog het meest zal bijblijven is de alcoholcontrole waaraan ik op de terugweg werd onderworpen. Net voor de snelweg, verborgen achter een bocht, had een indrukwekkende politiemacht postgevat. Ik werd door een overkill aan blauwe zwaailichten naar een parking geleid. Ik had alleen koffie en cola gedronken, dus ik kon de controle met een gerust hart tegemoet zien. Louter oponthoud op weg naar huis alwaar ik nog diezelfde nacht dat artikel wou schrijven, gebruikmakend van de frisse indrukken die ik nog van het gebeuren had. Maar toen verklaarde de nacht zich aldus. Een in uniform gestoken Hugo Claus verzocht me de motor af te zetten. Hugo Claus zoals hij er rond zijn vijftigste uitzag. Niet als twee druppels water gelijkend, maar toch genoeg om er in verlegenheid door gebracht te worden. Ik blies safe en mocht vertrekken.





05/05/'12

Nogal wat flamencomuziek begint met een colpa, met een tik van de wijsvinger op het gitaarblad. Daarmee wordt een eerste compas, een eerste ronde zo je wil, ingezet. Des tango duurt de compas acht maten en de colpa, de tik met de wijsvinger op het gitaarblad dus, is de eerste maat. Technisch gesproken: muziek komt er pas als het stuk al begonnen is, bij de tweede maat. Dat verklaart meteen ook zijn aanstekelijke karakter. Men is niet bedacht op wat bij zijn aantreden verder doet waarmee het kennelijk al bezig was. Het werkelijke begin had vroeger plaats en het ritme legt een claim op de tijd en wil van geen keren weten. Dansen doe je pas elegant als je al een beetje aan het dansen bent. Zingen doe je pas werkelijk als je stem zich verstaat met de toon die zich in je gedachten heeft gevormd en waarmee je al aan het meezingen was. En zo is het met veel. Zo is het maar net. Wie een feestje niet al feestend betreedt, wacht niet zelden een moeizame avond. Wie gaat neuken en droogweg tegen zijn partner zegt: 'Ontbloot alvast het onderlijf,' is ofwel een griezel ofwel een grappenmaker. Mag ook dit schrijven aldus zijn! Laat mij verder doen waarmee ik bezig was. In mij is meestal geen weerzin te herlezen wat ik eerder schreef, maar met dit dagboek is het anders. Ik herinner me van gisteren, van de allereerste aantekening, vooral de gooi naar vandaag, dat triomfantelijk toontje ook, als betrof schrijven een oefening waarvan ik nu zou kunnen vaststellen of ik er in ben geslaagd. Maar ik wil dat toontje niet meer horen. Ook wat ik morgen schrijf, zal ik, nadat het af is, niet herlezen. Ook al hangt het er als de tweede helft van een koe nog aan vast, zoals in een werk van Damien Hirst, wat ik overmorgen zal schrijven, zal aan herinnering genoeg moeten hebben.



04/05/'12

Wat een geweldige dag om een dagboek te beginnen! Het is als piano leren spelen en voor het allereerst de pianoklep openen. Ik kon niet langer wachten! Ik kon niet wachten op morgen, zoals Annick Lesage minzaam opmerkte. Het lege schrift is vanaf vandaag al wat minder leeg. Als ik morgen de pianoklep open en verder ga met mijn saaie oefeniningen, zal het mij denkelijk geen moeite kosten me dat allereerste begin voor de geest te brengen, ja misschien zal ik me zelfs herinneren dat ik er al meteen op vooruitliep. En wat ik dan morgen zal schrijven, zal misschien vooruitlopen op wat ik overmorgen zal schrijven...etc. Maar het zal nooit helemaal los staan van deze kardinale aanvang, het zal er gewild of ongewild steeds naar teruggrijpen. En dan stelt zich de vraag: waar grijpt het op terug? Alsdat het vandaag precies alleen maar over deze opening gaat, deze eerste dagboekaantekening zelf. Alsof het meteen de bespiegeling inzet die je misschien tot in het krankzinnige of in ieder geval tot in het absurde kunt doorvoeren en die, zo vooruitziend ben ik wel, op een bepaald moment het schrijven zelf onmogelijk dreigt te maken,- zover mag ik het beslist niet laten komen! Het zo dicht mogelijk benaderen, geen ander streven dus. Schuren tegen wat niet meer gezegd kan worden, enerzijds om dagboekgeklets te vermijden (er rust immers geen zegen op), anderzijds om de voorgenomen bezigheid niet helemaal stuurloos te laten verlopen. En omdat ik de allereerste lezer ben van deze tekst, staat het mij ook vrij als allereerste een poging te doen dit schrijven onder een noemer te vangen: geweldig! Een geweldige dag om een dagboek te beginnen!