GROF BROOD
woensdag 22 mei 2013
DE SOM DER ZONEN
1.
Het was de derde avond op rij dat ik Adriaan naar bed bracht. Normaal deed zijn moeder dat, maar daar had hij dus al drie dagen stennis mee. 'Kom, jongen,' zei ik, 'vlug in bed, morgen is het vroeg dag. We willen een prima plaatsje aan het meer waar niemand ons komt lastigvallen. En we moeten ook om Lars.'
Mijn aansporingen om Adriaan vlug onder de wol te krijgen, hadden geen enkel effect. Hij verdween sloffend in de badkamer om er zijn tanden te poetsen en een plas te doen en toen hij op blote voetjes terugkwam zei hij: 'Het is gewoon misdadig hoe mama drinkt.'
'Dat lost zichzelf wel op,' zei ik. 'Maak je daar nou maar geen zorgen over.'
Ze hielden altijd weer op, Claire's dranksessies, maar ze kwamen ook altijd terug en duurden drie, vier dagen.
Ik weet niet of ik het allemaal goed aanpakte. Ik was nog niet zolang bij Claire en er waren ook weken waarin ze helemaal niks dronk, geen druppel. En dan vormden we best wel een normaal gezinnetje.
'Waar waren we gebleven?' vroeg ik.
'Numeri, hoofdstuk 3,' zei Adriaan.
Sedert enkele weken wou hij 's avonds uit de Bijbel voorgelezen krijgen. Ja, natuurlijk vond ik dat bizar en helemaal niet bij zijn leeftijd passen en ik wist er mij eerlijk gezegd niet goed raad mee. Maar het zou wel weer voorbijgaan, veronderstelde ik. Hoe zijn jongens aan die leeftijd? Adriaan was er negen en volledig in de ban van Lars en diens familie en de manier waarop zij met de Bijbel leefden. De vader van Lars las 's morgens en 's middags en 's avonds uit De Schrift voor, aan tafel. Zijn gezin luisterde met gebogen hoofd en devoot gevouwen handen en in een gewijde stilte, zoals op schilderijen van oude Hollandse meesters. En 's zondags las de man kingsizefragmenten die wel tot een uur konden duren. Enfin, dat vertelde Adriaan me toch en, zoals ik al zei, hij was er helemaal in de ban van. Nieuwe Christenen, zo heetten ze, of Evangelische Christenen, protestants van signatuur, maar helemaal het fijne heb ik er nooit van geweten. Ze hadden ook geen kerk waar ze naartoe gingen 's zondags. Het bleef allemaal strikt privé. Ik vond het bepaald griezelig dat Adriaan daar over de vloer kwam en aan dat gedachtengoed werd blootgesteld, maar ik zag niet meteen wat ik daaraan kon doen, hij was tenslotte mijn zoon niet en Claire, nou ja Claire had genoeg aan d'r eigen hoofd. Maar bizar bleef het wel. Je verwacht het niet van een jongen dat hij woorden gebruikt als richtsnoer en de Heere, en geïnspireerd, maar dat deed hij dus, Adriaan, en ik had het nakijken. Ik probeerde me te herinneren hoe ik in elkaar stak toen ik negen was, maar er schoot me niet veel te binnen. Pas vanaf mijn elfde staat me één en ander bij, zodra er meisjes in mijn hoofd gingen dollen. In ieder geval kreeg ik niet uit de Bijbel voorgelezen, en dat vond ik best zo.
Ik pakte het boek en las: 'Dit zijn de geboorten van Aron en Mozes; ten dage...'
Adriaan ging rechtop zitten en keek me diepgekwetst aan. Hij zei: 'Je zegt weer "Aron", maar dat staat er helemaal niet. Er staat "Aäron" en zo moet je het ook uitspreken: A-Aron.'
'Oké,' zei ik, 'ik begin opnieuw.' Ik schraapte mijn keel en wachtte totdat hij weer was gaan liggen en daarna wachtte ik nog wat langer, totdat het helemaal stil was geworden. Beneden hoorde ik het gestuiter van glas op glas. Claire. Adriaan lag naar het plafond te staren, wachtend op woorden uit De Schrift. Ik bleef wachten totdat hij naar mij keek, totdat ik me van zijn aandacht verzekerd had. 'Dit zijn de geboorten van A-A-ron en Mozes,' zei ik, trager dan de vorige keer, slepender ook, ongeveer zoals ik me voorstelde dat de vader van Lars of de Heere zelf het deed, ook al had ik die man nog nooit ontmoet. 'Ten dage als de Heere met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï. En dit zijn de namen der zonen van A-A-ron: de eerstgeborene Nadab, daarna Abihu, Eleàzar en Ithamar.'
Ik probeerde alles zo verzorgd en respectvol mogelijk uit te spreken, maar omdat het op die manier wel heel lang zou duren, stak ik gaande de tekst toch maar wat meer vaart in mijn voordracht. In de spiegel van de kleerkast zag ik mezelf op de rand van het bed zitten, met een zwartlederen Bijbel op mijn schoot en een ernstig gezicht en ik realiseerde me dat ik nog maar een jaar geleden in de running was om vakbondsvertegenwoordiger te worden bij het transportbedrijf waar ik toen werkte en hoe ik toen een beetje in de ban was van allerlei linkse denkers, Louis Althusser en zo. En zie mij nu, dacht ik. Ik las het hele hoofdstuk door en verbaasde me erover dat hij, Adriaan, die gortdroge tekst geboeid uitzat en daarna zei ik: 'Klaar, dat was het, morgen vangen we vast een hoop vis, welterusten jongen.' Ik wou hem nog een zoen geven, maar met zijn religieuze aanvechting, of wat het ook was, wou hij dat niet meer, dus legde ik gewoon nog even mijn hand op zijn voorhoofd en liet het uit daar voor de grap een kruisje te tekenen. Ik veronderstelde dat de vader van Lars dat ook niet deed, zijn zoon een zoen geven bedoel ik. Waarom, weet ik niet, maar het kwam me zo voor. En dat hele Bijbelgedoe zou ook wel maar zijn tijd duren. Als er meisjes in zijn leven zouden komen, meisjes die hij zou willen kussen.
2.
Claire zat met bloeddoorlopen ogen en opgetrokken benen op de bank naar een oude tenniswedstrijd te kijken. Chris Everts versus Evonne Goolagong, Wimbledonfinale 1976. Ik had die match samen met haar al -tig keer gezien. Het was één van haar favorieten. Ze had hem op video, naast vele andere uit die tijd, wel een hele lade vol. Edda Buding, Tracy Austin, Billie Jean King, Sue Baker, Olga Morazova, Rosie Casals. Namen die nu, behalve Billie Jean King misschien, helemaal uit het geheugen van de sport lijken gewist, maar waarbij Claire nog altijd kon wegdromen. Ik weet niet waarom ze naar dat soort dingen keek en ook niet hoe ze aan dat materiaal kwam. Ze was er uren mee zoet. Het had vast iets te maken met haar jeugd. Claire was in 1976 elf jaar. Misschien had ze er zelf van gedroomd tennisster te worden en was Chris Evert (Ice Maiden) haar grote voorbeeld? Als ze naar die oude wedstrijden keek (alleen vrouwentennis,- 'Ik hààt Jimmy Conners!') dan dronk ze er ook bij en dan was het niet het moment om naar de wortel van die toch wel vreemde bezigheid te vragen. En als ze nuchter was, was het onderwerp taboe. Nou ja, dan kon je wel vragen wat haar zo fascineerde aan dat oude vrouwentennis, maar dan sloop in je vraag ook de kwestie waarom ze er zo oeverloos bij zat te drinken. Ze keek niet alleen naar die wedstrijden, ze pluisde ook al die biografieën van naaldje tot draadje uit, alsof die lang vervlogen carrières vroeg of laat nog een come-back zouden maken.
Claire was geen vrolijke drinker en ze scheen alleen maar te drinken om ongegeneerd te kunnen huilen. Zelfmedelijden en zo. Echt zielig. Maar nogmaals, na drie, vier dagen was het voorbij en dan had ik weer een redelijk stabiele vriendin die zich ook niet meer tot wanhoop liet brengen door haar negenjarig zoontje.
'Ik wou dat jij eens je mond opendeed,' zei Claire toen ik met een kop thee naast haar kwam zitten. 'Zijn vader zit in Brazilië weet je wel, dus die is er eigenlijk niet. Ik vraag niet dat jij zijn plaats inneemt, nee dat vraag ik niet, dat zou ik ook niet verdragen, je bent immers zijn vader niet, maar in godsnaam, gewoon eens je mond opendoen, gewoon eens laten merken dat er hier, naast mij, nog een volwassene het voor het zeggen heeft.'
'Oké, Claire,' zei ik.
Het had geen zin met haar in discussie te gaan als ze had gedronken, dus liet ik het na. Ze greep naar het flesje Orval op de salontafel en nadat ze het had geledigd, liet ze het schuin in haar schoot liggen en begon ze zachtjes te snikken.
'Oké, Claire,' zei ik. 'Morgen krijg ik onder het vissen vast de kans eens met de jongen te praten over wat er hem zo dwars zit de laatste tijd. Goed?'
'Over wat hém dwars zit?' viel Claire huilend uit.
'Claire, overdrijf nou niet. Je begrijpt wat ik bedoel. En het is nog maar een jongen, weet je wel. Een onbezonnen jongen.'
Wat ik leuk vond aan die oude wedstrijden: het gezapige tempo waarin toen ook op het hoogste niveau werd getennist. Niks geen haast om te scoren. Alsof het die dames helemaal niet om competitie te doen was, alsof ze zomaar voor het plezier een balletje over en weer tikten op een zonnige middag en daarna samen een kopje thee dronken. En de keurige, witte jurken waarin ze rondhuppelden! Want dat was het, ze snelden niet naar een bal, gingen niet met hun benen in spreidstand zoals Kim Clijsters, maar schreden er naartoe, zweefden als het ware. En zo hard mogelijk meppen zoals de Williamszusjes was er ook niet bij, noch de oerkreten er achterna. Het punt liet zich bij uitstek maken met stijl. Gratie, dat was het woord. Er stak nog gratie in het spel.
'Nou komt die prachtige lob,' zei ik. Claire reageerde niet. Ze was ook opgehouden met snikken. Van de thee die ondertussen lauw was geworden, nipte ik nog even en nam daarna het lege Orvalflesje mee naar de keuken.
'Breng er mij nog één,' zei Claire.
Ik zette mijn kopje op het aanrecht waar de schotels van twee dagen stonden.
'Komt ie,' zei ik. Ik zei het stil, eerder bij mezelf. Ze kon het onmogelijk horen. Het had geen zin tegen haar zaken te zeggen als: 'Doe je wel voorzichtig?' Dus liet ik dat na.
Ik bracht haar het flesje Orval en zei dat ik in de kelder mijn visgerei nog even wou controleren. Ze nam het flesje en zette het meteen aan haar mond. Ik bleef nog een tijdje staan kijken.
'Zag je Alain Delon in het publiek?' vroeg ik opgewekt, maar ik was er vrij zeker van dat Claire niet zou reageren en dat deed ze ook niet. Even later verdween ik naar de kelder. Ik had een lijstje in mijn hoofd dat diende afgewerkt, maar alles was er, hengelklaar om zo te zeggen, en ik laadde mijn spullen in de wagen. Toen ik een half uurtje later weer in de woonkamer kwam, lag Claire dwars over de bank en snurkte. Haar proberen wakker te maken, had geen zin. Ik tilde haar voeten op en bewoog haar zo dat ze geriefelijker zou komen te liggen. Ik nam de vilten deken van de rugleuning en bedekte er haar zorgvuldig mee. Tenslotte zette ik de televisie en de videorecorder uit, doofde de lichten en zocht het bed op waarin ik de nacht, de korte nacht, in mijn eentje zou doorbrengen.
3.
Voor zeven uur met vier lijnen uitliggen was misschien niet erg realistisch van me, maar tot mijn verbazing talmde Adriaan, ondanks het ontiegelijk vroege uur, geen seconde. Claire lag nog in dezelfde houding als ik haar had achtergelaten en snurkte lichtjes. En ook dat stoorde Adriaan niet. Hij wist perfect dat ze in haar eentje zoveel had gedronken dat ze niet meer in haar eigen bed was geraakt en ook wist hij dat ze de kater die haar te wachten stond niet zou uitzieken, maar er meteen meer drank tegenaan zou gooien, opnieuw in haar eentje, los van God en de wereld, hem incluus. En dat dit zich ook morgen zou herhalen, en overmorgen. Het scheen hem op dat moment volstrekt koud te laten wat er met zijn moeder gebeurde en nog vooraleer ik klaar was, zei hij: 'Ik wacht alvast in de auto.'
'Oké, Adriaan,' zei ik. 'Ik kom zo.'
Ik ruimde de tafel af en overwoog een briefje achter te laten, maar tenslotte boog ik me met mijn windjack in mijn vuist over Claire heen en beroerde haar schouder.
'Claire,' fluisterde ik. En daarna nog eens, iets harder: 'Claire.'
Ze opende haar ogen zoals iemand in de recovery. Ik zag alleen twee strepen oogwit. Ze knipperde en daarna was er in dat wit goddank ook een streepje pupil.
'Mmmm,' deed ze en smakte met haar lippen.
'Je hebt vast verschrikkelijke dorst,' zei ik. 'Wacht, ik breng je een glas water.'
Toen ik terugkwam, had ze de ogen weer dicht. Ik weet niet of ze sliep of alleen haar ogen dichthield. Ik veronderstelde dat ze niet viel zin had nu al wakker te zijn. Ik zette het glas water op de salontafel en zei: 'We zijn weg Claire. Adriaan en ik. Doe het rustig aan vandaag.'
Ik dacht niet dat ze me hoorde, maar het gaf me een zekere geruststelling dat ze de ogen had geopend en een glas water in handbereik had en dat ik daarvoor gezorgd had.
Lars woonde een kwartiertje uit de stad en in de richting die we sowieso uitmoesten. Het was zaterdagmorgen, erg vroeg en dus hadden we de weg voor ons alleen en schoten we aardig op. Ik wist waar die jongen ongeveer woonde, in welke buurt bedoel ik, maar het laatste stuk was ik aangewezen op de instructies van Adriaan.
'Hier gaan we rechtsaf, niet?' vroeg ik toen we een brokkelig industriegebied achter ons hadden gelaten en de weg zich opsplitste in drie afzonderlijke rijstroken.
'Ja,' zei de jongen. 'Gewoon volgen. En dan kom je aan een spoorwegbrug en daar is het opnieuw rechtsaf en dan, eh, dan zeg ik het nog wel.'
De verdere rit zei ik niks meer. De stemming was goed, op de radio beloofde het weerbulletin een zonnige dag met naar de avond toe een weinig bewolking vanuit het westen. Ik dacht er goed aan te doen de jongen zo vroeg in de morgen met rust te laten. Praten konden we nog de hele dag.
We sloegen rechtsaf, daarna links en kort daarop weer links.
'In deze straat is het,' zei Adriaan. 'Voorbij de bocht.'
Een nette buurt. Niet echt kasten van huizen, maar ook geen prefab. Net zoals ik me had voorgesteld dat Nieuwe Christenen, of Evangelische Christenen, of hoe die lui zich ook mochten noemen, zouden wonen.
'Leuke buurt,' zei ik.
'Ja, hé,' zei Adriaan.
Toen we aan Lars' huis kwamen, parkeerde ik de auto aan de andere kant van de weg, in de rijrichting en liet ik de motor draaien.
'Oké,' zei ik, 'ik blijf wel wachten in de auto terwijl jij Lars oppikt, goed?'
De jongen antwoordde niet, stapte uit en even later zag ik de vader van Lars over het tuinpad naar me toe komen, breed glimlachend.
'Oh, nee,' dacht ik.
Ik zette de motor af, stapte uit en zette mijn breedste glimlach op.
'Wat leuk van u, van jullie, om Lars mee uit vissen te nemen,' zei de man zijn hand uitstekend en met een stemtimbre dat meteen vertrouwen schenkt en daarna zei hij: 'Aangenaam, Frédérique Moreau, ik ben de pa van Lars.'
Het viel mij op dat hij al helemaal was aangekleed, ondanks het vroege uur, en het leek wel alsof hij al uren in de weer was.
'Dat is helemaal geen moeite,' zei ik, 'we kijken er ook erg naar uit.' En ik drukte hem de hand, stevig.
'Kom eventjes binnen,' zei hij. 'We drinken een kop koffie. Het is nog erg vroeg.'
'Nou, dat is vriendelijk,' zei ik en stapte met hem mee over het tuinpad.
'Na u,' zei hij.
En nu betreed ik een sekte, dacht ik.
4.
Mevrouw Moreau zat in een rolstoel en glimlachte geheimzinnig toen ik, na een lange, donkere gang vol schoenen, in de lichte eetkamer van het gezin kwam waar de zon in strijklicht binnenviel. Geheimzinnig, zeg ik, maar misschien was dat haar normale manier van kijken? Ik wist het niet. In ieder geval kwam de manier waarop ze naar me glimlachte me geheimzinnig en mysterieus voor. Het was alsof ze die manier van kijken niet helemaal zelf in de hand had en misschien maakte het wel deel uit van de reden waarom ze in die rolstoel zat, of van de godsdienst die ze aanhing.
Ik werd door meneer Moreau aan haar voorgesteld.
'Dat is de vader van Adriaan,' zei hij trots. Ik keek een ogenblik naar Adriaan die naast Lars bij de koelkast stond en wist aan een kleine oogbeweging dat ik meneer Moreau op dat punt niet moest corrigeren, dat ik hier in deze kamer en op dit moment niet moest zeggen dat ik helemaal niet de vader van Adriaan was en ook niet dat ik de jongen amper een jaar kende. Dat zou ons toch maar te ver voeren. Dus liet ik hen in het ongewisse, stapte naar mevrouw Moreau toe en gaf haar, breed glimlachend, een hand. 'Aangenaam, mevrouw,' zei ik en ik zette daarna weer een paar passen naar achter zonder mijn blik van haar af te wenden. Iets wat ook zij niet deed.
Het was een bijzonder knappe vrouw, ondanks die rolstoel. Ze had zwart haar dat in een losse dot tegen haar achterhoofd zat en rond haar slapen twee zachte bochten beschreef en haar verschijning iets meegaands schonk. En ook mevrouw Moreau zag eruit alsof ze al uren in de weer was, alsof de dag al een heel eind gevorderd was. Ze droeg een grijze kokerrok en een beige blouze, geen kettingetje, geen make-up. Het kwam me voor, en ik schrok wel even van die gedachte, dat ze helemaal geen rolstoelpatiënte was, zich alleen maar zo voordeed. Zodra er bezoek was, nam ze in haar rolstoel plaats en bewoog ze zich op wielen en zodra het bezoek verdwenen was, ging ze weer lopen. Hoe kwam ik daarbij? Ik dacht aan Claire en aan het glas water dat ik haar deze morgen had gebracht en aan hoe ze straks naar het toilet zou strompelen en daarna van het toilet weer naar de bank.
'Gaat u toch zitten,' zei haar man. 'U drinkt toch nog een kopje koffie? Er is geen haast bij mag ik hopen?'
Opnieuw keek ik naar Adriaan. De jongen vond het goed.
'Graag,' zei ik, 'dat is erg vriendelijk.'
Terwijl meneer Moreau mij een kop koffie schonk en vroeg of ik suiker en melk wou, ('Nee, dankjewel') liet ik mijn blik over de eetkamer gaan en ik betrapte me er op dat ik op zoek was naar religieuze artefacten, maar ik zag alleen maar de gebruikelijke keukentoestellen, boven het aanrecht het plankje met huiskruiden, de lettermagneetjes aan de koelkastdeur vormden het woord Rozaldi en ik had het raden wat daarmee werd bedoeld, als er al iets mee werd bedoeld.
'Ik heb me laten vertellen door Lars dat jullie gaan vissen op karper vandaag,' zei meneer Moreau. Hij keek me uitnodigend aan, maar vooraleer ik iets kon zeggen ging hij verder. 'Ik heb helemaal geen verstand van de hengelsport, maar ik herinner mij uit mijn jeugd dat als er iemand uit het dorp een karper had gevangen, dat de buurt dan werd uitgenodigd om te gaan smullen.'
'Haha,' zei ik. Ik liet het na een allusie te maken op de wonderbaarlijke visvangst en zei alleen maar dat ik, àls ik iets ving, gewoon alles teruggooide, dat dat de gewoonte was onder sportvissers tegenwoordig en dat je karper niet meteen een smakelijke vis kon noemen. 'Smaakt naar modder.'
'Niet als je hem enkele uren in helder water laat zwemmen,' zei Lars.
'Hoe weet jij dat?' vroeg Adriaan, kennelijk onder de indruk van Lars' tussenkomst.
'Dat weet ik gewoon,' zei Lars.
'Hoe dan?' hield Adriaan aan.
'En ik ben er ook niet tuk op iets te doden,' zei ik. 'Het moet een sport blijven, vind ik.'
'Dus vanavond geen karper op het menu,' zei mevrouw Moreau en schonk mij zo'n mooie glimlach dat ik er helemaal warm van werd vanbinnen. Ik wist niet waarom, maar plots had ik het gevoel alsof ze uit haar rolstoel zou opstaan, naar mij toe zou komen en mijn hoofd in haar handen zou nemen en me lang en innig zou aankijken.
'Gaan we dan?' zei Adriaan.
5.
De jongens hadden er niet echt een idee van wat vissen op karper precies voorstelde en het leek me ook hopeloos het zaakje technisch uitgelegd te krijgen. 'Het komt er zo'n beetje op neer dat onze vrienden zichzelf in de problemen brengen door er als een haas vandoor te gaan op het moment dat er eigenlijk nog helemaal niks aan de hand is. Begrijp je?'
De jongens zaten allebei achterin. Ik probeerde in de achteruitkijkspiegel hun blikken te vangen en herinnerde me meester Cyriel uit de lagere school die aan het bord een bolle scheerspiegel hing om aldus, terwijl hij op het bord schreef, de klas in het oog te kunnen houden als hij er met zijn rug naartoe stond. En hoe hij en passant ons met een grijns een optische wet uit de fysica bijbracht, dat ook. Of hij ons werkelijk op die manier in het oog kon houden, leek ons toen al twijfelachtig, maar in ieder geval was het stil en haalde niemand het in zijn hoofd te zitten rotzooien.
'Je moet weten,' ging ik verder, maar het was me zelf niet helemaal duidelijk hoe het verder moest, of liever: hoe aanschouwelijker ik die manier van vissen probeerde te maken, hoe laffer mij die toescheen. Netjes kon je het beslist niet noemen, ik bedoel dat je het dier geen eerlijke kans gaf. Er kwam ook helemaal geen kunde bij kijken, je moest niet als de bliksem reageren of zo, integendeel, rustig blijven, je koelte bewaren, geen onverhoedse bewegingen maken, dat was de boodschap. Als je de klus te vlug wou klaren dan was de kans groot dat de vis met één krachtige slag van zijn staart de lijn brak en dan zag je hem nooit. Behalve zo goed mogelijk de valstrik aanbrengen en een plek met lokaas aantrekkelijk maken, was er aan dat hele karpergebeuren geen fluit. Maar daarmee zou ik ook geen enthousiasme wekken, veronderstelde ik.
'Je moet weten,' zei ik, 'dat een karper zijn voedsel uit de bodem haalt en de hele dag als een varken met zijn snoet in de modder wroet en ontzettend veel troep in zijn bek krijgt waarmee hij helemaal niks kan en die troep dan uitspuwt. Hij doet de hele dag niks anders dan spuwen, spuwen, bwah, niet lekker, weg ermee! Komt onze vriend dus op een plek waar lokaas ligt en dat vindt ie dus wel ont-zet-tend lekker... maar misschien moet ik eerst uitleggen wat lokaas precies is, jongens?'
Ook daarop kreeg ik geen reactie. Ik keek opnieuw in het achteruitkijkspiegeltje en zag dat ze allebei voor zich uit zaten te staren, als het ware opgesloten in hun eigen bel. Voor Lars was ik een vreemde, het zou nog wel een tijdje duren vooraleer hij zich helemaal op zijn gemak bij mij voelde en alleen aan vandaag zou hij beslist niet genoeg hebben. En Adriaan zat misschien te piekeren over wat er met Claire aan de hand was en hoe ik daarmee omging door over het vissen op karper door te bomen. Het leek mij beter als ik gewoon aan het woord bleef en daarbij niet naar reacties ging vissen. We waren op weg om plezier te hebben.
Toen we aan het meer kwamen en ik tussen de bomen had gezien dat er nog niemand voorbij de grote bocht zat, daar waar we het rustigst zouden zitten, weg van de bbq-gezelschappen, de kajakkers en de windsurfers, had ik zo ongeveer alles over het vissen op karper verteld wat er te vertellen viel. 'Maar jongens,' zei ik, 'er is eigenlijk maar één goede manier waarop je op karper kunt leren vissen en dat is, door er op te vissen, haha.'
We lagen al een uurtje uit. Met vier lijnen. De jongens waren bij de les gebleven toen ik hen toonde hoe je de onderlijn moest knopen, hoe je het aas met een speciaal tangetje aan het loshangend eindje kreeg en hoe je het werplood er pas op het eind aan moest bevestigen. Het werpen met de hengel deed ik tweemaal voor, maar ik kon er geen van beiden toe bewegen het ook eens te proberen en eenmaal uitgeworpen was het een kwestie van geduld, veel geduld en daar hadden ze er maar een kwartiertje van in huis. Natuurlijk had ik, naast de werphengels waarmee we op karper gingen, een gewone hengel moeten meenemen waarmee ze, dicht bij de oever, op voorn hadden kunnen vissen. En daarmee hadden ze iets om handen gehad. Nu zaten ze daar maar en na dat kwartiertje verslapte hun aandacht. Lars tekende met de punt van zijn schoen figuurtjes in de korrelige aarde en keek af en toe in Adriaans richting zonder iets te zeggen. Na een half uur vroeg Adriaan hoe je dat nou wist wanneer je beet had.
'Dat heb ik toch al gezegd,' zei ik. 'Daar hebben we dus die verklikker voor. Dat toestelletje dat prrrrrrrr zegt zodra je het nog maar aanraakt.'
'Oké,' zei Adriaan. 'Dus je kunt net zo goed een dutje doen?'
Lars grinnikte. En dat leek wel het sein waarop de twee zich niet langer als medevissers beschouwden maar als toeschouwers en ze zich in steeds wijdere kringen van de visplaats verwijderden.
'Oké,' zei ik toen ze zich na vijf minuten nog eens pro forma vertoonden en quazi geïnteresseerd vroegen of ik al iets had gevangen.
'Loop niet te ver.'
6.
Ik herinnerde me een visweekend in de Ardennen. Ik had in geen jaren meer aan de bende gedacht: Raf, Rudy, Alex, Rutger en Steven. Jongens uit mijn geboortedorp waarmee ik als kind iedere zomer aan de kanaaloever had doorgebracht, vissend op voorn, blei, paling. En hun vrouwen. Hilde, Sien, Fabiènne, Lore en Linda en nog iemand waarvan me de naam niet meer te binnenschiet. Samen hadden we meer dan honderdvijftig kilo vis gevangen en alles direct teruggezet. Ik was toen nog bij mijn vorige vriendin, Linda, en samen met de andere vrouwen had Linda zich van meetafaan als toeschouwer gedragen en zich aangesteld. Het was de hele dag van jakkes hier en vies ginder en alles ging gepaard met hoge gilletjes die ze anders nooit slaakte. Nou ja, vrouwen. In het begin konden we er nog mee lachen, maar op den duur kreeg vooral Alex het er op de zenuwen van en omdat hij zich niet onbetuigd wou laten, had hij een niet erg fijnzinnige opmerking gemaakt en die was bij Linda in het verkeerde keelgat geschoten, dus werd het hen tegen ons en wilden zij niks meer met dat hele karpergedoe te maken hebben. Ik herinnerde me de naam van het meer niet meer, maar het was er prachtig kamperen en 's avonds hadden we een bbq met veel drank, maar de sfeer zat niet goed en laat op de avond hadden we het over de drankgewoontes van onze vaders.
'Ik geloof niet dat ik mijn vader ooit dronken heb gezien,' zei Raf. Het was al na middernacht en de vrouwen waren al en block terug naar de tenten, ons overlatend aan onze eigen dorstige kelen en grote peeenussen, zo sprak Fabiènne het uit en het kon op grote bijval onder de vrouwen rekenen. Raf schoof met een tak enkele houtblokken bijeen en het vuur laaide heel even weer op.
'Ik herinner me wel,' ging hij verder, 'dat mijn moeder een tijdlang dry Martini's voor hem klaarmaakte. Tegen de middag, tijdens weekends en vakanties. Het was de tijd dat hij een sjaal droeg, mijn oude heer. Dat was toen in de mode, samen met handtassen voor mannen. Handtassen uit kunstleder die je op de heup droeg en waarin je je portefeuille en je sigaretten kwijt kon. Dat was allemaal niet zijn idee, noch het aperitief, noch de sjaal of de handtas, maar hij deed het om mijn moeder een plezier te doen, geloof ik. Zij vond het iets geweldigs. Het ging hem allemaal niet goed af en de gewoonte om dry Martini's te drinken midden in de dag was een van de eerste dingen waarmee hij na haar dood kapte.'
Raf liep achteruit en met uitgestrekte armen van het vuur vandaan, naar het tafeltje met de emmers. 'Nog iemand?' vroeg hij en hij viste een flesje pils uit het koele water. Het etiket op de buik van het flesje was al half losgeweekt en ondanks de glibberigheid opende hij zijn biertje met een aansteker, zoals wij dat allemaal hadden geprobeerd en waardoor we over de drankgewoontes van onze vaders waren beginnen te praten. Er kwam enige handigheid bij kijken. Je moest het flesje zo bij de hals nemen dat de rug van je duim als hefboom kon dienen. En je moest het in één knallende beweging doen, anders lukte het nooit.
Iedereen leek zo'n beetje lusteloos en onverschillig naar het vuur te kijken, maar wat Raf had gezegd over de cocktails die zijn vader dronk, bracht bij ieder van ons herinneringen terug. En omdat we veertigers waren en het toeval aan onze zijde hadden over een vorige eeuw te kunnen spreken, gaf dat genoeg te denken opdat het een tijdlang stil zou zijn. Niet alleen de film uit het verleden nam iedereen in beslag maar ook wat er over te vertellen viel, want allemaal leken we het aan de avond en de sfeer en de vriendschap verplicht een sterk stukje biografie over onze eigenste vader te vertellen. En anderzijds was het ook niet eenvoudig iets over je vader te zeggen. Tenslotte ging het over intieme momenten (en dronken mensen zijn onverdraaglijk intiem) waarin de zwaktes en de onvolmaaktheden de bovenhand halen.
'Al onze verwekkers zijn dood,' zei Steven, 'we brengen hen met onze verhalen niet meer in verlegenheid.'
'Vertel dan wat over jouw vader,' zei Rudy.
Steven zat in korte broek tegen een rugzak geleund, één knie in het gras. Zijn schaduw reikte het verst, daarachter was er het bos en de rest van de Ardennen.
'Niet vaak,' zei hij. 'Ik heb mijn vader maar enkele keren dronken gezien, maar het was wel telkens raak. Ik bedoel, die man kon eigenlijk niet drinken. Je zag hem in luttele seconden veranderen van een vrolijke man in iemand die van ellende alleen nog boven een lavabo kan hangen.’
'Hoho,' deed Alex.
'Tja,' zei Steven, 'er is natuurlijk niks verheffend aan een dronken man. Nou, mijn vader kon niet drinken en dat deed hij dan ook niet. Behalve die enkele keren dus. En dat was gênant, inderdaad, maar het was niet zo dat het een schaduw wierp over zijn leven. Ik herinner me hem niet als iemand die iets had met drank, dat is alles.’
'En jij,' zei Alex tegen mij, 'wat was dat die keer met jouw vader? Die keer in de bus?'
Uit het bos kwam een doffe krak en tegelijk was er een windstoot die het gebladerte hevig deed zwiepen.
'Hé, wat is dat?' zei Raf.
'Daar is... iets,' zei Steven.
'Wij zijn hier ook,' zei Rutger en gaf me de joint die hij net had gerold en waarvan hij slechts enkele sleuren had genomen. Ik was niet gewoon om joints te roken en wou er ook niet mee beginnen, dus hield ik de joint gewoon vast. We gingen allemaal tot aan de rand van het bos, maar daar was niets te zien en ook de wind ging weer liggen en toen we terug rond het vuur zaten, gaf ik de joint terug aan Ruddy.
'Wat was dat die keer met je vader,' zei Alex weer.
'Waarover heb je het?' vroeg ik.
'Je weet wel, die keer op de bus,' zei Alex.
'Hé, vertel,' zei Raf.
'Ik heb geen idee waarover je het hebt,' zei ik.
'Natuurlijk weet je dat,' zei Alex. 'Je was er zelf bij.'
'Ik was er zelf bij?' vroeg ik en enkele tellen lang keek ik Alex vernietigend aan, maar ik realiseerde me dat het geen zin had met iemand als Alex een mentale clinch aan te gaan, want daarmee zou ik alleen mezelf in verlegenheid brengen. Ik zei iets over Alex en de manier waarop hij Linda had geschoffeerd en dit weekendje min of meer had verpest en iemand zei 'oké jongens, ander onderwerp' en ik zei, toen Alex bleef aandringen, alleen maar: 'Hé jongens, ik ben geloof ik stoned.'
7.
'Nee,' zei ik toen de jongens weer poolshoogte kwamen nemen en zich leken te vervelen. 'Nog geen tik. Helemaal niks.'
'Moet je luisteren,' zei Adriaan. 'Lars zegt dat hij later ook in een rolstoel zal zitten, net als zijn moeder. Dat kan toch niet, hé?'
Ik keek eerst naar Adriaan, daarna naar Lars. Ik had geen idee hoe ik daarop moest reageren. Adriaan keek me enigszins uitdagend aan, op de hoogte als hij zich voelde van iets dat ook mijn bevattingsvermogen te boven ging. Ik herinnerde me plots hoe mateloos het leven aan die leeftijd is, alsof alles wat je meemaakt slechts een etage is in een groter geheel dat zowel naar boven als naar onder toe oneindig vertakt. Uit Lars' houding kon ik niets afleiden, behalve dat zijn onbewogenheid in het geheel niet pastte bij zijn jonge leeftijd. Was het een stoer praatje, was het de trieste waarheid? Ik liet mijn blik weer rusten op waar de lijnen in het water verdwenen, maar ook daar kon je door het felle zonlicht eigenlijk alleen maar naar raden en het had ook helemaal geen zin de ligging van die punten te weten.
'Hebben jullie andere vissers gezien?' vroeg ik. Ik dacht er goed aan te doen het over iets anders te hebben. Op die leeftijd zeggen jongens maar wat.
'Moytone dystrofie,' zei Lars.
'Dat is wat hij heeft,' zei Adriaan. 'Een erf, een erfelijke spierziekte. Zijn moeder heeft dat ook en zijn moeder zit in een rolstoel, zoals je hebt gezien.'
'Misschien komt er een dag dat de dokters weten wat er allemaal aan de hand is,' zei ik. 'Ik zou er mij geen zorgen over maken.'
Ik had niet de indruk dat Lars zich zorgen maakte, integendeel. Het leek wel een belofte, iets belangrijks dat hem te wachten stond en waarvan hij de trotse bezitter zou worden, de titeldrager. Moytone dystrofie. Misschien had het ook wel te maken met de godsdienst die zijn ouders aanhingen, maar hoe die puzzel precies in elkaar pastte, was mij een raadsel.
Konden de jongens zich niet gewoon amuseren?
Van achter de bocht, dicht bij de oever, verscheen een sportbootje met daarin een man van middelbare leeftijd, druk in de weer met het vissen op roofvis. Hij droeg een dynamische zonnebril die ik nooit van mijn leven zou willen dragen maar waarin ik me als het ware gespiegeld wist. Het schonk hem een gewichtige air en qua materiaal had hij het nodige bij om een haai te verschalken. In dat bootje lag aan visgerief algauw enkele duizenden euro's. Een keur aan parabolische hengels, vederlicht maar ongemeen krachtig, krachtig genoeg om de driftige dril van een volwassen snoek aan te kunnen.
'Alleen al die molentjes mikken tegen de vijfhonderd euro,' zei ik. >Maar het was alsof ik het niet tegen Adriaan en Lars zei, het was alsof ik het tegen Alex en Rutger zei, tegen de jongens uit mijn geboortedorp waarmee ik ooit in de Ardennen was gaan vissen.
Geolied als mayonaise gooide hij het kunstaas daar waar hij het hebben wilde. Een visvinder ook die als een laptop ter bakboord aan zijn sportboot was gemonteerd en met sonar en radiogolven hem toeliet een gedigitaliseerde kijk onder water te nemen.
'Dat is eigenlijk alleen maar dure flauwekul,' zei ik, 'want het onderscheid tussen een drijvende tak, een tapijt aaneengekoekt vuil en prooi zie je er niet op en overigens heb je niet altijd de tijd om dat ding in de gaten te houden, wat nou net de bedoeling is, want een snoek beweegt zich in het water als een dief.'
De man bediende zijn sportbootje met grote vaardigheid. Hij had het roer op buikhoogte waardoor hij, indien nodig, ook al drillend kon bijsturen. Hij bood het kunstaas daar aan waar ook ik het zou hebben aangeboden, nu eens mooi op een metertje van de meerpaal, dan weer met grote accuratesse net onder de zwartgroene luifel van een overhangende boom, in de lommer waar een snoek zich graag terugtrekt en van waaruit hij het lafst kan aanvallen. Het leek een kwestie van seconden vooraleer hij beet zou krijgen, maar uiteindelijk gebeurde er niks en werkte hij de verdere oever af totdat hij uit het zicht verdween.
'We geven het nog een uurtje, oké jongens? Dan kappen we ermee?'
'Oké,' zei Adriaan en ze verdwenen allebei in de bosjes en toen ze zich na drie kwartier weer lieten zien, zei ik voor de grap dat ik er net één had gevangen.
'Wel zo groot,' zei ik en tussen mijn beide handpalmen hield in gedachten een paraplu.
'Waar?' vroeg Adriaan.
'Nou, hier,' zei ik. 'Waar dacht je?'
'Waar is hij?'
'Ik heb hem teruggegooid. Doe ik altijd.'
'Echt?'
'Nou nee, mallerd. Ik heb helemaal niks gevangen. Nul. De. Botten. Net zoals Tom Cruise daarnet.'
8.
Toen ik rond een uur of drie in de middag thuiskwam, was ik alleen. Adriaan had voorgesteld bij Lars en zijn ouders te blijven logeren.
'Mams vindt het vast oké,' zei Adriaan poeslief en ik vroeg me af of hij het cynisch bedoelde, gezien Claire's toestand en het oorlogje tussen hen, en of ik aan die leeftijd al cynisme had.
Het gebeurde wel vaker dat hij bij de Moreaus bleef slapen. Claire vond het kennelijk geen probleem dat hij daar met de Bijbel leefde. We hadden het nummer van de Moreaus, in geval van nood.
'In geval de Apocalyps op handen is,' had ik eens lacherig gezegd.
'Maar vinden de papa en mama van Lars dat wel oké?' vroeg ik nog.
'Tuurlijk,' zei Lars. Ik ving zijn blik in de achteruitkijkspiegel en zag dat hij samenzweerderig lachte.
Met Claire's toestand en de grote waarschijnlijkheid dat ze ook vandaag straalbezopen zou zijn, vond ik het een goede regeling. Bij de Moreaus ging ik niet nog eens naar binnen. Ik zag de jongens opgewonden achter de gevel verdwijnen en wachtte nog een vijftal minuten zonder de motor af te zetten, maar meneer Moreau kwam niet naar buiten, dus veronderstelde ik dat het geen probleem was. En dat kwam ook mij goed uit. Ik zou mijn handen meer dan vol hebben met Claire. De derde dag doorgebracht in algehele dronkenschap was de moeilijkste. Ik veronderstelde dat haar lichaam het dan niet meer verdroeg of zo.
Groot was mijn verbazing toen ik een leeg huis en een briefje op de keukentafel vond. Het ging zo:
Claire, aan haar lot overgelaten mogen we wel stellen, is met ons meegegaan. Wij, mijn man en ik, konden haar zo niet achterlaten, wat jij wel kon. Gelieve haar een tijdje met rust te laten, het is duidelijk dat mijn zus met problemen kampt. Als jij er wil van wegkijken, dan is dat jammer, maar Claire is ons dierbaar. Je kent ons nummer, maar we verzoeken je niet nodeloos contact op te nemen. Ze is nu in zorgende handen. Adriaan kan natuurlijk altijd bellen.
Marlies en Peter
Ik las het briefje tweemaal na elkaar en begon het dan te vouwen, steeds kleiner, tot ik het niet nog kleiner kon vouwen. Daarna pelde ik het weer helemaal open en las het een derde keer. Er stond nog altijd wat er stond en ik vond het nog altijd zeer onterecht. Ik liep de gang in naar het telefoontoestel. In een zwartlederen agenda vond ik onder de 'M' het nummer van Marlies, zus.
'Als je niet belt, dan beken je schuld,' zei ik luidop, maar ik kwam er niet toe alle zeven cijfers van het telefoonnummer in te toetsen. Ik legde de hoorn weer op het toestel en ging terug naar de keuken. Ik opende de koelkast en net toen ik de deur weer wou sluiten, was er telefoon. Ik rende de gang in en nam op.
'Claire?' riep ik.
'Haar moeder,' zei de stem aan de andere kant.
'Dag,' zei ik.
'Ja, dat kunt u wel zeggen, maar een goede dag is het beslist niet. Ik kreeg net een telefoontje van Marlies, mijn andere dochter, en ik, ik heb er geen woorden voor. Mijn man heeft altijd zijn twijfels gehad, dat moogt u gerust weten. Ik wou het goede zien, en wat krijg ik ervoor in de plaats? Het spijt me zeer hoor, maar...'
'Wilt u alsjeblief eens naar mij luisteren,' zei ik met een hoog stemmetje. Ik vond mezelf belachelijk klinken.
'Nee, dat doe ik liever niet. Ik, nee het heeft totaal geen zin, het spijt mij zeer, maar op die manier denk ik...'
'Maar,' zei ik en bracht het niet verder dan dat hoogtonige 'maar'. Daarna werd de lijn verbroken.
Ik liep naar boven, naar de slaapkamers. Zowel het bed van Adriaan als ons bed lag er onopgemaakt bij, zoals we het vanmorgen in alle vroegte hadden achtergelaten. Uit Claire's dressior was één en ander weg. Er was blijkbaar in der haast gepakt. Ik zette de ramen open en maakte eerst het tweepersoonsbed op en daarna het bed van Adriaan. Toen ik daarmee klaar was, ging ik op de rand van Adriaans bed zitten en sloeg de Bijbel bij het leeslint open, daar waar ik de vorige avond gebleven was. Numeri, hoofdstuk 4. Ik las het hoofdstuk eerst in stilte en daarna hardop. Ik las: 'En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aäron, zeggende: Neemt op de som der zonen van Kahath uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.'
Honger had ik niet, maar tegen de avond vond ik dat ik toch iets moest eten. Het was vroeg dag geweest en ik had eigenlijk alleen nog maar koffie gehad. En wat snoep. Als ik niks at, dan dreigde koppijn en slapeloosheid. Ik smeerde twee boterhammen en belegde die met jonge kaas, nam een fles bruiswater uit de kelder en ging in de zetel zitten eten met in mijn schoot een handdoek. Ik kreeg slechts één boterham binnen, de andere verpakte ik in folie en stopte die in de koelkast. De handdoek hing ik terug aan het rekje bij het aanrecht. Ik schroefde de dop weer op de fles en zette ook die in de koelkast. Ik voelde een soort kwaadheid bezit van mij nemen, het was alsof ik in een zaal vol joelende supporters plots een basketbal kreeg toegespeeld en geen korf had om die bal erin te gooien.
De keuken was een ramp, dat was Marlies vast ook niet ontgaan toen ze aan deze tafel dat beschuldigende briefje schreef en in gedachten zag ik hoe ze er haar man, Peter, met een afkeurende blik op attent maakte en hoe die meewarig met zijn hoofd schudde.
'Klootzak,' zei ik. 'Vuile klootzak.'
Ik had nog nooit een woord met die man gewisseld en het kwam me voor dat ik dat ook nooit zou doen, daar was het nu te laat voor. Ik vouwde het briefje weer op en stak het in mijn broekzak. Daarna liep ik naar de woonkamer en zette de televisie aan. Het liep tegen zeven uur. Ik wou het journaal zien. Ik had de hele dag nog geen nieuws gehad, behalve dus de verwijten en het nieuws dat Claire's moeder het ook niet meer wist en dat haar man er al van meetafaan het zijne van dacht.
'Ouwe lul,' zei ik en ik dacht aan mijn eigen vader en aan die keer op de bus. Het was een bloedhete dag. We kwamen terug van een dagje aan zee. Op een terras in Oostduinkerke hadden we een Dame-Blanche gegeten en mijn vader had een trappist Westmalle gedronken. En hij werd onwel op de bus. Hij zag helemaal bleek, werkte zich uit zijn zitplaats en probeerde tot bij de chauffeur te komen. Het bleef niet onopgemerkt. En in het middenpad struikelde hij en kwam op één knie terecht. Hij raakte op eigen kracht niet meer overeind. Iedereen ging er van uit dat hij stomdronken was. 'Eén trappist,' riep ik, 'één enkele trappist.' De kelderdeur stond nog open en ik hoorde mijn stem in de diepte echoën.
Ik veronderstelde dat Claire bij haar zus niet was doorgegaan met drinken en ondertussen nuchter was en ziek en vol zelfmedelijden, maar niet zo ziek dat ze het bed moest houden. Misschien zaten ze nu ook klaar om naar het journaal te kijken. Het beeld gloeide langzaam op. Ik zat gehurkt bij het toestel. Het was een oud en lomp ding en het duurde een tijdje vooraleer je het beeld scherp kreeg. En bij het afspelen van een video kreeg je het beeld eigenlijk nooit helemaal scherp. Ik duwde de cassette met de oude tenniswedstrijd, die als een tong een stukje uit de mond van het toestel hing, in de videorecorder. Het ding begon te ratelen en te zoemen en ik zag Chris Everts bij het Cola-automaat. Ze droeg een witte kanten jurk met aan haar boezem een driehoekige, kanten versiering. Ze veegde haar voorhoofd met een roze handdoek. Ballenjongens rolden witte ballen over en weer. Dat was me nog niet eerder opgevallen, realiseerde ik me. Dan zwiepte het beeld en daarna was er een shot op het scorebord. Het was zondagmiddag 23 juni 1976, 2-2, final set.
EINDE
dinsdag 21 mei 2013
EEN WEL ERG KORT VERHAALTJE
Soms droom ik dat ik een jasje van Tommy Hilfigger draag, 18 jaar ben en opnieuw eindexamen moet doen. Er is ook altijd een meisje dat me verzekert dat zij helemaal niet te mooi is om door mij... en ik slaag er alleen maar in haar op een huilerig toontje te vragen: 'Maar hoe kan ik dat nou zéker weten?' Als ik dan wakker word, dan ben ik blij dat ik 48 jaar ben.
zondag 19 mei 2013
ER LEEK ALTIJD WEL EEN MOMENT
Er leek altijd wel een moment waarop je je fijngevoeligheid opzij zette, je de vertroetelende zinnetjes waarin je haar naam verpakte niet langer uitsprak, zelfs niet langer dacht en onwillekeurig gehoor gaf aan de negentig kilo's van je lijf waarmee je op haar ging liggen, haar vreemde biologie als het ware anexeerde. Je vroeg je op dat beslissende moment niet af of ze jou teveel vond wegen, zelfs niet of ze het jammer vond dat je met strelen niet was doorgegaan, maar zoals in een roman van Norman Mailer 'down to business' kwam en haar benen zich onder je gewicht openden en je als een schommel wiegden. En hoe ze je er dan toe bewoog iets lager te gaan liggen, een fractie slechts, waarna het alleen nog maar een kwestie leek je als een zeehond aan land te hijsen en daarmee door te gaan totdat je er aan de andere kant weer afgleed en hoe ze dan bijvoorbeeld op haar zijde ging liggen en je uitnodigde haar op je knieën te nemen, je beide handen op elkaar in het dal boven haar heup tot steun en afdrukpunt, alsof je met nieuwjaar de bal op Times Square liet zakken en er bij elke beweging uit je bekken een laatste tel van het voorbije zich in louter lust vernieuwde en je haar daarna helemaal op ellebogen en knieën voor je kreeg, je handen haar heupen vonden en haar rug en het deinende oceaanoppervlak waardoorheen je kliefde en kliefde en kliefde om tenslotte alle hitsige snelheid te verliezen en als het voorsteven van een schip helemaal in haar eindeloosheid weg te zakken en uit te deinen in zich alsmaar herhalende waterkringen.
EINDE
zaterdag 18 mei 2013
LAAT ONS ALSJEBLIEF GAAN
1.
We waren op de Zwarte Berg, in het Heuvelland, en ik toonde Bianca waar ik als kind had leren zwemmen. Ik wees naar het dal, naar wat ooit het geweldigste openluchtzwembad van de wereld was, met glijdtunnels en drie in hoogte oplopende wipplanken waaraan thans de planken ontbraken en een stuk van de spiraaltrap. Ik wees naar wat nu een ruïne was, naar twee L-vormige bassins met vuil, enkeldiep water en gescheurde wanden. 'En hier,' zei ik en wees naar een al net zo'n verkommerd en met graffiti volgespoten stuk jaren vijftig architectuur, 'hier was er de brasserie annex feestzaal. Je had hier nog van die kelners in witte jassen met gouden epauletten, weet je wel. En ze brachten op zilveren dienbladen coupes ijscrème en limonade van 't Sas, geelgroene limonade met weinig prik. Geweldig! En op het dak van de feestzaal liep er een grote dalmatiër.' Bianca vroeg: 'Kan ik hier ergens plassen, denk je? Ik moet dringend.' En ik dacht dat het geen kwaad kon als ik het ijzeren hek voor de inkomsthal een dertigtal centimer opzij trok zodat we er ons doorheen konden wurmen. 'Zouden we dat wel doen?' zei Bianca, maar ik bevond me al bij de plastic palmbomen en de toonbank waar er ijslolly's werden verkocht en waarachter meisjes met kartonnen hoedjes giechelden, ik herinnerde me dat de toiletten zich achteraan bevonden en er was zelfs nog een bakelieten bordje aan de muur met WC en een pijl die me doorheen de feesttent loodste en ik liep niet langer over een vuile vloer, tussen gebroken glas en ander puin, ik zag niet langer bouwval, maar tante Leonida in een citroengeel mantelpakje en nonkel Cyriel met strak achterover gekamd haar en een gestreepte das. Ik zag Peter, mijn maat uit de straat, hij liep met zwemvliezen aan zijn kindervoeten, flap flap flap, en ik zag het buurmeisje met haar roze bikini en haar twee blonde vlechtjes. Er was muziek van Freddy Breck en elk moment zouden mijn ouders... 'Laat ons gaan,' zei Bianca, 'laat ons alsjeblief gaan.'
2.
Willem Poelkjens vroeg me zijn nieuwe gedichtenbundel 'Rommelwater' in te leiden. Hij kon er me honderd euro voor geven en op de avond van de voorstelling 'een hoop gratis drank'. Ik kende Willem al meer dan twintig jaar. Echt bevriend waren we niet, maar dat was ik eigenlijk met niemand. Als ik een vriendin had, dan was ik bevriend met mijn vriendin en dan had ik geen behoefte daarnaast nog andere vrienden te hebben. Ook mijn ouders hadden geen vrienden. Ze hadden buren, ze hadden ons, de kinderen, en ze hadden op hun beurt ouders. Dat was voldoende. Ik weet ook niet hoe het kwam dat ik er nooit vrienden op nahield, want als het fout liep met mijn vriendin, en het liep altijd fout, dan kon ik een luisterend oor natuurlijk goed gebruiken. Meestal werd dat luisterend oor dan mijn nieuwe vriendin en als het ook met haar niet wou lukken dan was de vriendin na haar eerst een tijdje alleen maar luisterend oor, enzoverder. De gedichtenbundels van Willem Poelkjes, ik was de tel kwijt, verschenen altijd bij schimmige uitgeverijen, soms in eigen beheer. Je kon ze nergens vinden en door de literaire kritiek werden ze volstrekt genegeerd. Niet dat ik achterover werd geblazen door de gedichten van Willem Poelkjens, daarvoor waren ze naar mijn smaak net iets te parlando, maar ik vond dat zijn werk beter verdiende. Dus zegde ik toe. Ik deed nog meer. Ik zei hem dat ik het gratis zou doen, dat ik 'Rommelwater' een knappe bundel vond en dat ik alleen al de titel geweldig vond. Beetje riskant misschien, maar net daarom. Wat moest iemand zich voorstellen bij 'rommelwater'? Kon één van de vier elementen ooit herleid worden tot rommel? Kon je je iets voorstellen bij rommelvuur, rommellucht, rommelaarde? En was de kans niet groot dat men ook ging spreken van rommelgedichten als men het over de laatste bundel van Willem Poelkjens had? Mijn inleiding liet zich op twee avonden schrijven. Ik hing mijn polshorloge naast de badkamerspiegel en oefende mijn tekst hardop. Ik was een kwartier aan het woord. In de spiegel keek ik het publiek enthousiasmerend aan en als ik een gedicht citeerde, dan liet ik mijn stem een kwarttoon dalen. Gelukkig ontdekte ik bijtijds dat ik me daarmee belachelijk zou maken, dus liet ik die stemacrobatie achterwege. Op de avond van de voorstelling was het om acht uur 's avonds vierendertig graden buiten. Het was een afschuwelijk hete dag geweest. De weerman deed zijn weerpraatje in korte broek en dat was nog nooit eerder vertoond op de VRT. Het was op twee andere dagen na de warmste dag van de eeuw en de voorstelling ging door op de zolder van het Willemsfondsgebouw aan de Vrijdagmarkt te Gent. Ik vreesde het ergste, en inderdaad, op die zolder liep de temperatuur tegen de vijftig graden en bovendien was er geen kat komen opdagen. Letterlijk niemand. We waren daar om acht uur helemaal alleen. Alleen Willem Poelkjens en ikzelf. 'Tja,' zei ik. 'Met dat weer...' Ik woei me koelte toe met de tekst die ik niet hardop zou moeten lezen en Willem knalde met zijn aansteker twee frisse flesjes Jupiler open. 'Op de poëzie,' zei hij en we moesten allebei lachen. Vijf biertjes later was er nog altijd niemand komen opdagen en het was duidelijk dat dat ook niet meer zou gebeuren. Willem Poelkjens zei: 'Kom, laat ons gaan alsjeblief.'
3.
Ik veronderstelde dat we met z'n vieren van 'Sophie's Choice' van Alan J. Pakula zouden kunnen genieten. Mijn vriendin Elise, haar ouders en ikzelf. De film dateert van het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw. Niemand vindt Merly Streep een waardeloze actrice en dat de prent zowel pikante als hartverscheurende scènes bevat,- so what? We zaten met z'n vieren op een appartement aan zee. Er was weliswaar tv, maar er was geen kabelaansluiting en omdat het die junimaand overvloedig regende had ik voor de zekerheid enkele dvd's meegenomen, waaronder dus 'Sophie's Choice'. Ik was net geen twintig toen ik de film voor het eerst zag. De prent was niet helemaal uit mijn geheugen verdampt, maar om nou te zeggen dat ik het verhaal nog van naaldje tot draadje kon navertellen,- nee. In een notendop. De Poolse Sophie Zawistowski, gespeeld door Merly Streep, belandt met haar twee kinderen in Auschwitz en moet tussen haar zoontje en haar dochtertje kiezen. Als ze niet kiest, worden ze allebei vergast. Er is voor een moeder waarschijnlijk niks ergers denkbaar en een film over zoiets vreselijks loopt grote kans door geen enkele vrouw te worden uitgezeten. Niet aldus bij 'Sophie's Choice.' Sophie is bij momenten een zotte doos en dat is ook haar minnaar, de joodse bioloog Nathan, die op het einde schizofreen zal blijken te zijn. Het boek van William Styron, het allerbeste wat hij ooit schreef volgens kenners, werd nadat de film opnieuw uit alle zalen was verdwenen nooit meer in het Nederlands herdrukt en dat is jammer, want het is een prachtig, hartverscheurend en vooral grappig boek. Althans bij momenten. Ik zei me te herinneren af en toe in een deuk te hebben gelegen bij het eerste hoofdstuk waarin de verteller over zijn ervaringen als redacteur bij een uitgeverij kond doet. 'Neem nou de manier waarop hij een manuscript van een onderwijzeres beoordeelt...' Elise, mijn vriendin, liet mij mijn zin niet afmaken. 'Laten we nu maar gewoon kijken, lieverd,' zei ze en ik begreep dat noch zij, noch haar ouders in een inleidende beschouwing over de schrijver William Styron geïnteresseerd waren, iemand waarover ze nog nooit hadden gehoord en hen verder ook gewoon koud liet. We keken dus. Op de salontafel een schaal met chips en nootjes. Er was rode en witte wijn en omdat haar vader fijne sigaartjes rookte, stak ook ik af en toe een sigaret op. Vooral het eerste half uur van de film bevat nogal wat seks. Braaf weliswaar en eerder suggestief dan expliciterend van aard, maar voor de vader van Elise kennelijk onthullend genoeg om er geregeld dwaze en stuitende opmerkingen over te maken, opmerkingen die je uit de mond van een puber verwacht, niet uit die van een zeventigjarige. 'Nou, die meid heeft een lekkere melkerij!' Of: 'Ik zou er jandorie ook geen handdoek op leggen.' Of nog: 'Heb je potverdrie die kont gezien!' Zijn vrouw moest het al lang hebben opgegeven zich aan dat soort gezwets te storen, althans ze reageerde niet. Ook op het gezicht van Elise kon ik geen spatje ergernis ontdekken en omdat hij zich met zijn opmerkingen voortdurend tot mijn adres wendde, zat ik meestal groen te lachen. De tweede helft van de film verhaalt dus het hartverscheurende Auschwitzluik en daar zat hij voortdurend knorgeluiden bij te maken. Hij produceerde een soort gegrinnik dat ik ook al niet kon duiden en waaraan ik me zo mogelijk nog meer ergerde. Ik keek naar Elise, maar zij bleef strak naar de tv kijken en het scheelde dat of ik zei: 'Laten ons gaan, alsjeblief.'
EINDE
ODE AAN TOON
Kunnen insecten zweten?
Nee, natuurlijk niet.
Waarom zouden ze?
Heeft een vlieg ooit haast,
een mug het bij momenten druk?
Zegt een spin ooit:
ik raak niet door mijn werk?
Nee, alleen een duizendpoot
wil het al eens lastig hebben
als hij voor de minste scheet
alle duizend poten moet verzetten.
LIEDJE VAN LIEFDE EN PIJN
Wie zou graag
Een meermin zijn
Op een baldakijn
Onder de zee,
Zingend, heel alleen,
Die met een paarlen kam,
Haar gouden haar,
In krullen kamt?
Gwenny De Loof!
Wij kregen Engels van Gwenny De Loof en bovenstaande kwam op het bord te staan toen Gwenny De Loof haar honderdtwintig kilo voor de laatste keer richting onze klas sleepte. Nooit meer Alfred Lord Tennyson! Nooit meer de Present Perfect! Mevrouw De Loof was niet alleen monsterlijk dik, ze had niet alleen een belachelijke voornaam (snel na elkaar uitgesproken, klonk het als het gekwaak van een eend: Gwennygwennygwenny), ze had ook ros haar, zo ros als elektriciteitskabel. Say no more. Ook de grootste nerd, ook de bangste kwezel voelde zich af en toe geroepen over mevrouw De Loof iets vreselijks te zeggen. Geert Molenaar, hij natuurlijk, plantte het uitroepteken achter haar naam en haastte zich naar zijn plaats. Toen mevrouw De Loof de deur achter zich sloot, zat hij verdiept in zijn agenda, ondanks de elleboogstoten van zijn buurman, Jan Friemans. Ze las wat er op het bord stond, pakte de bordveger en veegde het weg. Het smadelijks gleed als water van een eend. De examens waren achter de rug, overmorgen begon de grote vakantie, we hadden van mevrouw De Loof niks, maar dan ook niks meer te vrezen. Ze nam een krijtje en schreef een stukje tekst op het bord die ze ons vroeg naar het Nederlands te vertalen. We kregen het volledige uur. Ik maakte er dit van:
Zolang we samen waren
waren we een goede nuttige schaar.
Toen we uit elkaar gingen werden we
weer twee scherpe messen
in het vlees van de wereld gestoken
elk op zijn eigen plaats.
Ik heb nooit geweten van wie het gedicht was en op het moment zelf vond ik er niet zoveel aan. Maar het is me al die tijd bijgebleven. En bij momenten, als er weer eens een liefde teneinde is, lig ik het te fluisteren tegen het plafond van mijn slaapkamer.
EINDE
Abonneren op:
Berichten (Atom)